Het waardeoordeel ten aanzien van kunst & cultuur van Gemeente Amsterdam getest aan de hand van beleid van kunsteducatie
Sinds 2017 publiceert de gemeente Amsterdam elke vier jaar een Kunstenplan, waarin de doelen en financiële kaders voor kunst en cultuur in de stad worden vastgelegd. Sinds eind vorige eeuw controleert de gemeente kunst en cultuur in Amsterdam steeds meer. Onafhankelijke fondsen, zoals het Amsterdamse Fonds voor de Kunsten, zijn ingeschakeld om de waarde van kunst- en cultuurprojecten af te wegen en zijn verantwoordelijk voor subsidiebepalingen. Kunstenaars, makers, muzikanten, cultuurscholen en instellingen zijn daardoor afhankelijk van het waardeoordeel van de gemeente en deze fondsen.
Kunst en cultuur horen van nature bij de mens – en zelfs bij dieren. Kunst is overal en altijd aanwezig. Maar door het kapitalisme heeft kunst, net als zoveel in deze maatschappij, een nieuwe waarde gekregen: een instrumentele.
In dit artikel belicht ik twee benaderingen van de rol van kunst en cultuur in het menselijk leven. De eerste benadering ziet kunst en cultuur als intrinsiek waardevol voor het individu (mens of dier), zonder dat het iets hoeft op te leveren behalve het bestaan ervan. De tweede benadering ziet kunst en cultuur als instrument om doelen te bereiken, zoals economische groei of sociale cohesie. De gekozen benadering heeft directe gevolgen voor het beleid en onthult wat overheden belangrijker vinden: vrijheid van creatie of meetbare opbrengsten. In dit artikel onderzoek ik welk waardeoordeel de gemeente Amsterdam hanteert in haar beleid voor kunst en cultuur, met name op het gebied van kunstonderwijs voor kinderen.
Instrumentele benadering: kunst als middel
Er zijn voldoende aanwijzingen dat de gemeente kunst en cultuur vooral ziet als middel voor andere doelen (benadering 2). De gemeenteraad heeft meermalen onderzoeken laten uitvoeren die de waarde van de kunst- en cultuursector voor de stad in kaart moesten brengen, zoals het onderzoek van Berenschot (2025) en een impactrapport over rijkscultuursubsidies (2024). Deze gegevens gebruikt de gemeente om plannen te ontwikkelen, zoals het Strategisch Huisvestingsplan Kunst en Cultuur 2023-2027. Daarin staat dat kunst en cultuur op strategische locaties de economische en maatschappelijke groei kunnen bevorderen. Over Nieuw-West lees je: “Kunst en cultuur hebben nog een inhaalslag nodig”, zodat het stadsdeel aantrekkelijker wordt voor wonen en werken. Dit lijkt op opwaardering van buurten, nu mensen door torenhoge huurprijzen gedwongen de stad uit trekken. Kortom: een instrumentele benadering.
Daarnaast presenteert de gemeente Amsterdam zich graag als wereldcultuurstad. Op de beleidspagina van de gemeente staat: “Amsterdam is een kunst- en cultuurstad van wereldformaat.” Dit is al lang zo. Door godsdienstvrijheid en weinig censuur, en dankzij de welvaart uit het kolonialisme, werd de stad een trekpleister voor creatievelingen wereldwijd. Dat klopt: kunst en cultuur leven in de stad. Maar dit is niet uit intrinsieke motivatie. De sector wordt geëxploiteerd voor internationaal aanzien en economische groei. Dit was nog één van de hoofddoelen van het Kunstenplan 2017-2020. Het is hypocriet dat de gemeente enerzijds de vanzelfsprekendheid van kunst en cultuur uitdraagt, maar anderzijds geen permanente huisvesting of subsidies wil toekennen aan culturele spelers.
Het is hypocriet dat de gemeente enerzijds de vanzelfsprekendheid van kunst en cultuur uitdraagt, maar anderzijds geen permanente huisvesting of subsidies wil toekennen aan culturele spelers
Intrinsieke benadering: kunst als doel
Ik test het waardeoordeel van de gemeente verder aan de hand van het beleid voor cultuureducatie op basisscholen. Er zijn initiatieven die lijken aan te sluiten bij benadering 1. In het Kunstenplan 2025-2028 staat dat de gemeente inzet op wijkgerichte cultuureducatie en brede talentontwikkeling. Dit betekent decentralisatie van culturele huisvesting en meer lokale voorzieningen voor talentontwikkeling van kinderen. Cultuurhuizen waren voorheen bijna alleen binnen de ring, wat de doorstroom naar het grote podium bemoeilijkte – zeker nu metrolijnen worden geschrapt. De drempel voor (ouders/verzorgers van) kinderen om kunst en cultuur te ervaren, is hiermee verlaagd.
Om brede talentontwikkeling te stimuleren, zet de gemeente sinds 2020 ‘cultuurcoaches’ in op basisscholen. Deze coaches zijn actief bij binnen- en buitenschoolse activiteiten, hebben contact met ouders/verzorgers en brengen kinderen in contact met cultuurhuizen voor een makkelijke doorstroom. Op veel plekken in de stad is directe begeleiding van begin tot eind nodig, bijvoorbeeld vanwege financiële of mobiliteitsproblemen.
Daarnaast is in 2013 het Basispakket Kunst en Cultuur toegevoegd aan het Kunstenplan. Dit pakket biedt basisscholen gratis een vakdocent muziek, met als doel muziek als vak op te nemen in het reguliere onderwijsprogramma. Naast wekelijks één uur muziek mogen scholen kiezen tussen één uur beeldende vorming en één uur een andere discipline, dus in totaal drie uur kunst en cultuur per kind per week. Kinderen maken op vroege leeftijd kennis met de kunsten en worden gestimuleerd door te stromen naar buitenschools muziekeducatief aanbod.
Deze ontwikkelingen lijken aan te sluiten bij benadering 1, waarbij de gemeente de intrinsieke waarde van kunst wil overbrengen aan het individuele kind. Toch speelt er meer.
Tweeslachtig beleid: intrinsiek of instrumentaal?
Allereerst wordt de invoering van het Basispakket onderbouwd met de stelling: “Cultuuronderwijs is geen ‘extraatje’ meer, maar een belangrijk onderdeel van het onderwijsprogramma.” Op de website van Mocca, het gemeentelijk adviesorgaan voor aanbieders van het Basispakket, staat bij de visie: “De gemeente ziet cultuur als een vanzelfsprekende basisvaardigheid voor de brede ontwikkeling van leerlingen en hun toekomstige participatie in de maatschappij.” Muziek en talentontwikkeling zijn dan weliswaar geen extraatje, maar toch weer wel een middel om ‘slimme’ leerlingen groot te brengen voor de arbeidsmarkt en een groot aantal ‘talenten’ te creëren. Dit zet Amsterdam uiteindelijk weer op de kaart als stad met veel talent – en dus als aantrekkelijke bestemming.
Bovendien blijkt uit een adviesrapport van de Amsterdamse Kunstraad (2025) dat in de praktijk meerdere basisscholen jarenlang geen vakleerkracht hebben gezien. De Kunstraad vraagt zich terecht af wat er met de financiering gebeurt. Het is opvallend dat de gemeente, ondanks haar grote woorden over integratie van muziek in het onderwijs, geen vaste controles heeft ingesteld om na te gaan of dit in de praktijk ook daadwerkelijk gebeurt. Met andere woorden: practice what you preach.
De Kunstraad benadrukt in het advies ook dat andere disciplines achterlopen, omdat de Basispakketpot alleen voor muziekonderwijs mag worden gebruikt. Mijn theorie is dat dit komt doordat er veel onderzoek is gedaan naar de positieve effecten van muziek op het leren, zoals het grootschalige onderzoek ‘Meer muziek in de klas’ (2021). Andere disciplines zijn (nog) niet bewezen als hulpmiddel voor andere vakken en worden daarom ondergeschikt behandeld in het onderwijs.
Het stoort me dat er zo wordt geroepen dat kunst en cultuur een vanzelfsprekendheid zijn in de stad, terwijl de sector leeft van tijdelijke subsidies en altijd iets moet opleveren: talenten, geld, aanzien, enzovoort.
Conclusie: wat vindt de gemeente echt belangrijk?
Vindt de gemeente kunst(educatie) echt belangrijk, of gaat het vooral om een hoofdrol te blijven spelen in het internationale cultuurspeelveld? Ik vind de inzet van cultuurcoaches, de visie op brede talentontwikkeling en de decentralisatie van culturele huisvesting essentieel om alle kinderen uit alle hoeken Amsterdam, kunst en cultuur te laten ervaren. Toch geloof ik dat het meeste beleid voor de sector is ontworpen vanuit benadering 2.
Het stoort me dat er zo wordt geroepen dat kunst en cultuur een vanzelfsprekendheid zijn in de stad, terwijl de sector leeft van tijdelijke subsidies en altijd iets moet opleveren: talenten, geld, aanzien, enzovoort.
Het Rijk heeft in november 2025 besloten de termijn van cultuursubsidies te verlengen van maximaal vier naar acht jaar en de administratieve lasten te verlichten. Een permanentere aanstelling biedt ademruimte voor culturele instellingen en zorgt voor minder concurrentie in de stad. Ik zou de volgende coalitie adviseren de mindset rond cultuureducatie op scholen te veranderen. Zorg er in woord en daad voor dat we kinderen de waarde van kunst leren omdat het bij het leven hoort, en ga niet op zoek naar talenten. In deze ver gevorderde fase van het kapitalisme, waarin bijna niets ontsnapt aan commercialisering, is het de moeite waard om de nieuwe generatie mee te geven dat onbezorgd creëren en maken essentieel zijn voor het leven.