Vrijheid in tijden van corona
Nederland slaagt er maar niet in de corona-epidemie onder controle te brengen. Het aantal besmettingen blijft hoger dan verwacht; de zorg staat nog steeds onder druk. Volgens onze bestuurders heeft dat niets te maken met hun eigen zwalkende beleid en gebrekkige communicatie. Nee, de cijfers stijgen omdat Nederlanders nu eenmaal vrijheidslievend zijn. Eenzelfde verklaring wordt al sinds het begin van de coronacrisis vaak ingeroepen om uit te leggen waarom Europa het beduidend slechter doet dan landen in Oost-Azië, waar men het coronavirus wel onder controle lijkt te hebben. Volgens zelfverklaarde deskundigen zou de aanpak van de coronacrisis in China en Singapore veel efficiënter zijn dan de Europese dankzij hun autoritaire, top-down cultuur. (Daarbij voor het gemak negerend dat ook democratische landen in Azië, zoals Japan, Zuid-Korea en Nieuw-Zeeland het coronavirus veel beter hebben weten in te dammen dan Europa of de VS.)
Is een gebrekkig werkende overheid inderdaad de prijs die we moeten betalen voor onze vrijheid? Als dat inderdaad zo is, kunnen we ons vrijheidsideaal misschien maar beter loslaten. Wie dood of zwaar ziek is, heeft er tenslotte niet zoveel meer aan dat hij of zij op papier vrij is. Maar gelukkig is dat een conclusie die we niet moeten trekken. Want een duik in de geschiedenis leert dat er helemaal geen tegenstelling hoeft te zijn tussen vrijheid en een slagvaardige overheid. De meeste Westerse politieke denkers dachten niet dat een vrije samenleving een samenleving zonder regels was, maar wel dat die regels collectief beslist moesten worden. In hun ogen was vrijheid een publiek goed eerder dan een puur individuele conditie.
Dat blijkt bijvoorbeeld duidelijk uit Herodotus’ Historiën, een geschiedenis van de oorlog tussen de Grieken en de Perzen geschreven in de vijfde eeuw voor Christus - en een van de allereerste werken waarin het begrip vrijheid werd gedefinieerd. In een beroemde passage deed Herodotus verslag van een gesprek tussen de Perzische koning Xerxes en een Spartaanse banneling, Demaratus. Xerxes ging er van uit dat zijn leger dat van de Spartanen makkelijk zou moeten kunnen verslaan. De Spartanen beroemden zich er namelijk op dat zij vrij waren, en Xerxes leidde daaruit af dat zij geen gezag aanvaardden. Zo’n anarchistisch zootje kon toch niet op tegen het goed gedrilde Perzische leger? Maar dat was een misvatting, zoals Demaratus uitlegde: Spartanen aanvaardden wel degelijk gezag - niet dat van een autocratische koning, maar van de wet die ze collectief waren overeengekomen.
Zoals deze passage uit Herodotus laat zien, identificeerden de oude Grieken vrijheid met collectief zelfbestuur, niet met het ontbreken van elk centraal gezag. Hun bewonderaars, de humanisten van de Renaissance, onderschreven deze gedachte eveneens. Een van de oudste teksten uit de Lage Landen over het begrip vrijheid is de Algemene vrijheid van de humanist Rabod Herman Scheels, gepubliceerd in 1666. Scheels, die door tijdgenoten werd geprezen als de nieuwe Cicero of Demosthenes, betoogde hierin dat een vrije staat er een was waar mensen zelf politieke macht uitoefenden – en dus niet moesten gehoorzamen aan een autoritaire leider. Maar, zo benadrukte hij tegelijk, vrijheid was geen anarchie. In een vrije staat was het van cruciaal belang “dat alles na de wetten, en niet na ‘t welgeval verhandelt word.”
Kortom, in het Westerse politieke denken stond eeuwenlang een collectief vrijheidsideaal centraal. Pas aan het begin van de 19de eeuw kwam een politieke beweging op gang die dit vrijheidsideaal afwees ten voordele van een meer individualistische opvatting van vrijheid. Liberale denkers zoals de Franse filosoof Benjamin Constant verwierpen het idee dat vrij zijn bestond uit collectief zelfbestuur. In plaats daarvan argumenteerden zij dat vrijheid gelijk stond de afwezigheid van staatsinterventie in de privé-sfeer. Een sterke overheid, zelfs als die democratisch was verkozen, was altijd een bedreiging voor de vrijheid. De Hongaarse politicus József Eötvös, een bewonderaar van Constant, schreef bijvoorbeeld in De dominante ideeën van de negentiende eeuw – een boek waarin hij de politieke idealen van zijn tijdgenoten kritisch analyseerde - dat vrijheid vaak werd verward met volkssoevereiniteit. Maar dat was fout. Vrijheid kon enkel bestaan bij ‘respect voor welverdiende rechten’ – in het bijzonder het recht op bezit.
Wat motiveerde liberale denkers om voor een nieuwe manier van denken over vrijheid te pleiten? Het was geen toeval dat het liberalisme ontstond in een periode dat de democratische beweging groeiend succes kende in een aantal Europese landen. Liberale denkers behoorden veelal tot de gegoede burgerij. Zij zagen de toenemende democratisering als een bedreiging voor hun eigen machtspositie en materiele belangen. De uitbreiding van het stemrecht, zo vreesden zij, zou politieke macht geven aan minder gegoeden, die deze ongetwijfeld zouden gebruiken om rijkdom te herverdelen. Eötvös bijvoorbeeld waarschuwde dat de afschaffing van het privébezit een van de voornaamste gevolgen zou zijn van het invoeren van het algemeen stemrecht. Dit alles leidde ertoe dat liberale denkers democratie gingen zien als een bedreiging voor de echte vrijheid – de vrijheid van het individu om met zijn hebben en houden te doen wat hij wilde, zonder bemoeienis van overheidswege.
Deze nieuwe, individualistische manier van denken over vrijheid werd echter in de loop van de negentiende eeuw op haar beurt gecontesteerd door politieke bewegingen zoals het socialisme. Teruggrijpende op het oude, collectieve vrijheidsbegrip argumenteerden socialistische denkers en politici dat vrijheid niet verward mocht worden met een afwezigheid van staatsinterventie. Vrijheid bestond uit collectief zelfbestuur, en vereiste daarom democratisering. Maar socialistische denkers gingen nog eens stap verder: zij stelden dat de uitbreiding van het stemrecht op zich niet voldoende was om mensen echt vrij te maken. De overheid – als de vertegenwoordiger van gewone burgers - diende ook meer controle te krijgen over wat er gebeurde in het economische domein. Nieuwe regels zouden ervoor moeten zorgen dat welgestelde elites hun rijkdom niet langer konden gebruiken om de rest van de bevolking hun wil op te leggen. Het socialisme, zo stelde de Franse politicus Jean Jaurès, zou het werk van de revolutionairen van de late achttiende eeuw voltooien, door democratie te introduceren in de economische zowel als de politieke sfeer.
Pas na de Tweede Wereldoorlog kreeg het liberale, individualistische vrijheidsbegrip de overhand op de oudere, democratische opvatting van vrijheid. Een van de gevolgen van de confrontatie met het communisme in de context van de Koude Oorlog was dat het wantrouwen ten aanzien van de overheid groeide. Door de associatie met de Sovjet dictatuur werd het idee dat de staat een emancipatorische rol kon spelen in het leven van haar burgers plots gezien als een gevaarlijke waanbeeld. In 1958 stelde de liberale filosoof Isaiah Berlin, in een eenzijdige lezing van de geschiedenis van het Europese politieke denken, dat de ‘positieve’ invulling van vrijheid – vrijheid als publiek goed - alleen maar kom leiden tot dictatuur. De ware vrijheid, de ‘Westerse’ vrijheid, was een puur ‘negatief’ begrip. Elke wet, zo stelde Berlin onomwonden, moest gezien worden als een inbreuk op de vrijheid.
Ondertussen is de Koude Oorlog natuurlijk allang voorbij, en wordt het tijd om het oudere, collectieve vrijheidsbegrip terug af te stoffen. Als de coronacrisis één ding heeft duidelijk gemaakt, dan is het dat existentiële bedreigingen zoals een pandemie om drastische actie vragen van de samenleving als geheel, onder leiding van haar democratisch verkozen vertegenwoordigers. Daarbij geven we onze vrijheid niet zomaar op in ruil voor de bescherming van vadertje staat. Zolang zelfs de strengste lockdown breed wordt gedragen, en de regels onderhevig blijven aan controle door volksvertegenwoordigers, de pers, en de samenleving in zijn geheel, vormen zij geen inbreuk op onze collectieve vrijheid. De maatregelen beperken misschien onze individuele bewegingsvrijheid, maar ze helpen ons tegelijkertijd om een doel te verwezenlijken dat breed wordt gedragen in de samenleving – de bescherming van de volksgezondheid.