Issue #022 Published: 07-02-2019 // Written by: Hessel Dokkum

Hoe te komen tot een vrijplaatsenbeleid zonder verwording tot een kunstenaarsbeleid.

De geschiedenis herhaalt zich nu de crisis afgelopen is: de grond in Amsterdam wordt steeds aantrekkelijker voor investeerders waardoor de grondprijzen enorm stijgen. Het geldverdienen staat voorop waardoor bewoners met een niet-extreem hoog inkomen en ook allerlei sociale initiatieven geen plek meer kunnen hebben in de stad. Hierdoor worden waardevolle initiatieven die essentieel zijn voor de stad de stad uitgedreven. Gentrificatie viert weer hoogtij.

De schrik zat er in 1998 behoorlijk in bij het toenmalige stadsbestuur omdat verschillende internationaal bekende grotere panden als de Graansilo, de Kalenderpanden, Pakhuis Afrika en Pakhuis America ontruimd zouden gaan worden waardoor er geen plek meer zou zijn waar subcultuur kon ontstaan of verder ontwikkeld zou kunnen worden. De grondprijzen stegen de pan uit waardoor niet winstgevende initiatieven gedwongen werden de stad te verlaten.
De gemeente heeft toen met de subtekst “Geen Cultuur Zonder Subcultuur” een plan van aanpak Broedplaatsen gemaakt met daaraan gekoppeld een budget van miljoenen euro’s om plekken waar subculturen zich zouden kunnen ontwikkelen te ondersteunen. De doelstelling van dit plan van aanpak Broedplaatsen was: “Zorgdragen voor het realiseren van kleinschalige infrastructuur voor (overwegend) niet commerciële, culturele ondernemers -waaronder (semi-) professionele kunstenaars - en het scheppen van voorwaarden voor een duurzame instandhouding van dergelijke infrastructuur in de stad”.
Het beleid was dus ontwikkeld ter stimulering van een subculturele infrastructuur en het was dus geen beleid wat alleen ten goede zou moeten komen aan individuele kunstenaars.

Om tot dit plan van aanpak te komen is samen met een aantal ambtenaren en een aantal deskundigen - waaronder ikzelf - indertijd bepraat hoe het gemeentebeleid eruit zou moeten zien wilde de gemeente de infrastructuur van de subcultuur op zodanige manier faciliteren dat er plek bleef waar subculturen op een betaalbare manier konden uitgroeien.
De doelstelling (zoals hierboven beschreven) was duidelijk, en de doelgroep was omschreven. De grote vraag was hoe het culturele gehalte van groepen te borgen voor de toekomst.
Vanwege deze culturele borging is er toen bedacht om te verplichten dat kunstenaars onderdeel moesten zijn van de subculturele groep die gebruik zou maken van het broedplaatsbeleid. Hieruit is de beroemde 40% verplichting tot het realiseren van ateliers voor professionele kunstenaars uit voortgekomen. Deze 40% is dus alleen bedacht voor de borging van de culturele uitstraling van een plek, verder niets. Voordeel van deze verplichting was dat in tegenstelling van de rest van de doelgroep het controleerbaar was of iemand daadwerkelijk kunstenaars is of niet. De beroepenlijst die de SWWK en de kunstenaarsbonden hanteerden werden gebruikt om te bepalen of iemand onder de 40% kunstenaars viel of onder de 60% anderen.

Subsidie werd gegeven alleen voor een geheel pand of perceel bestemd voor de gehele doelgroep. Citaat uit de subsidieverordening 2001: “De doelgroep van het te realiseren (woon)werkpand bestaat uit een samenwerkende groep van professionele kunstenaars, culturele ondernemers en kleine (ambachtelijke) bedrijven, die gezien hun inkomenssituatie geen ruimte op de reguliere vastgoedmarkt kunnen betrekken of zich dergelijke ruimte kunnen verwerven.”
Hieruit moge duidelijk worden dat kunstenaars toen nog geen uitzonderingspositie hadden, en dat het beleid ging over een samenwerkende groep en niet over de individuele leden daarvan.

Het eerste reglement van de CAWA liet ook geen twijfel over dat het broedplaatsbeleid gericht was op samenwerken, openheid, collectiviteit en niet op individualisme. Het reglement is bijna een blauwdruk voor hoe een legale vrijplaats eruit zou moeten zien, citaat:
1. De (broedplaats)groep heeft een visie op schrift gezet waarin wordt aangegeven op welke wijze de groep bijdraagt aan het culturele of creatieve klimaat van de wijk of de stad. Daarbij is sprake van de volgende kenmerken (waarbij het accent kan verschillen):
Autonomie:
Het pand kent zelfbeheer en zelfbestuur door de (bewoners en) gebruikers. Zelfbeheer is een keuze voor autonomie en flexibiliteit, maar evenzeer een sociaal experiment dat zich voortdurend ontwikkelt. Daarmee is het op zich al een bijdrage aan de sociaal culturele dynamiek van de stad.
Collectiviteit: Er is interne democratie. Het beheer, het onderhoud en de onderlinge interactie zijn bij uitstek een gezamenlijke verantwoordelijkheid voor het project als geheel. Er is een actief beleid om de sociale cohesie te bevorderen en in stand te houden. Onderlinge hulpverlening is de norm en niet de uitzondering. Het collectief is gericht op duurzaamheid én flexibiliteit van het pand, de sociale structuur en alles wat daarbinnen gebeurt.}
Functiemenging: Het gebruik is divers. (Wonen), werken en publieksfuncties zijn gemengd. Er wordt geen onderscheid gemaakt tussen kunstenaars en andere ambachtelijke bedrijvigheid. Evenmin bestaat er een principieel onderscheid tussen de culturele en de sociaalpolitieke dimensie, voor zover ze al niet samengaan. Er is ook diversiteit (inwoonvormen,) in bedrijfsvoering en in vormen van arbeid. Bedrijvigheid is in principe kleinschalig.
Solidariteit: De bewoners en gebruikers zijn erop uit om connecties aan te gaan met elkaar en met de buitenwereld. Ze zijn initiërend in het leggen van contacten en het aangaan van samenwerkingsverbanden binnen hun eigen werkveld, en daarbuiten. Het pand is belangrijk voor minderheidsgroepen in het algemeen en voor de stedelijke subcultuur in het bijzonder. Het speelt een rol in de eigen buurt, en maakt deel uit van stedelijke en landelijke netwerken. Sociale bewogenheid is een constante factor, bij de individuele bewoners en gebruikers, en bij het pand als collectief.
Toegankelijkheid: De bewoners/gebruikers streven naar toegankelijkheid, zowel voor producenten als voor consumenten. Betaalbaarheid is daarbij een cruciale factor. Niet alleen als randvoorwaarde, maar ook omdat het ruimte schept voor solidariteit, en voor experimenten en vernieuwing. Openbaarheid en het streven naar openheid zijn essentieel.

Zoals te lezen valt werd er geen onderscheid gemaakt tussen kunstenaarschap en andere bedrijvigheid.

In 2008 is echter het kind met het waswater weggegooid, en is het broedplaatsbeleid verworden tot een individueel kunstenaarsbeleid: er werd geen subsidie meer gegeven voor een geheel pand of perceel. Alleen plekken die gebruikt zouden worden door kunstenaars werden nog gesubsidieerd. De rest van de broedplaatsdoelgroep mocht niet meer profiteren van de gegeven subsidie waardoor er ineens een onderscheid werd gemaakt binnen de doelgroep. Kunstenaars werden ineens hoger gewaardeerd dan anderen die ook tot de oorspronkelijke doelgroep behoorden.
Bijna meteen werd er daarna gepraat over doorstroming en tijdelijk gebruik van die kunstenaarsplekken. Discussies die niet over de gehele groep gingen, maar alleen nog maar focus hadden op waar de individuele kunstenaar aan zouden moeten voldoen. Deze discussies, samen met het alleen nog maar subsidiëren van kunstenaarsplekken, tonen aan dat sindsdien het beleid gericht is op individuele kunstenaars. De verwording van het broedplaatsbeleid tot een kunstenaarsbeleid was een feit geworden.
Deze draai van de gemeente is alleen te verklaren door het organisatorische en financiële debacle van de grootste broedplaats van Amsterdam, de NDSM, waar ongeveer de helft van de broedplaatsubsidie in verdwenen was.
Onkunde over zelforganisatie, zelfbeheer en eigen zeggenschap heeft dit debacle gestalte gegeven. De mensen en organisaties die daar wel verstand van hadden zijn vroegtijdig uit het project gezet door de bestuursleden van de beheerstichting.
Het verleden is er om van te leren:
Aantonen van kundigheid en kennis over zelforganisatie tijdens de realisatie van een plek is veel belangrijker dan het gebruik van de juiste woorden in een subsidieverzoek.

Om een breder experimenteel gebruik van een vrijplaats te stimuleren is doorstroming belangrijk. Ook legale vrijplaatsen hebben last van verstopping door de hoge grondprijzen. Men gata niet meer weg terwijl ze, door ruimtegebrek in de stad, de vrijplaats wel ontgroeid zijn, er geen energie meer in stoppen, en geen meerwaarde meer hebben voor het geheel.
Er zal stil gestaan moeten worden bij doorstroming in vrijplaatsen. Echter wel op een manier die hoort bij een vrijplaats. Er kan bijvoorbeeld gedacht worden aan dat de huur bij een vrijplaats uit drie essentiële onderdelen bestaat: huurpenningen, tijd en energie. In de individuele contracten worden dan niet alleen de huurpenningen die betaald moeten worden opgenomen, maar ook de hoeveelheid tijd die een huurder zou moeten investeren. Ook door het instellen van een inkomensafhankelijke huur bedenken mensen eerder of het nog wel de juiste plek voor hen is.

Er zou ter ondersteuning van de ambtenaren opnieuw een klankbordgroep opgericht kunnen worden, waar deskundigen uit het werkveld zitting in hebben.
De term maatwerk zou opnieuw hoog in het vaandel moeten staan bij het beleid, omdat elke plek en elke groep anders is.