Issue #011 Published: 15-03-2017 // Written by: Klaar vd Lippe

Interview: Patrice

Patrice (66), geboren in Monaco, vrije wetenschapper, arme ‘wereldburger’, ‘kokend lid’ van V.N.I.C.A., van INURA en van het hackercollectief Hippies from Hell

Waarom Amsterdam?

Mijn vroege jeugd woonde ik in een villa aan de Cote d’ Azur met mijn beeldschone moeder en 11 jaar oudere zus. Nadat ik drie maal van internaat school was gestuurd kwam ik op 14 jarige aan in Amsterdam om bij mijn Nederlandse vader te gaan wonen. Het was 1964. Nederland voelde arm, bijna oostblok. Zelden wijn te krijgen. Verzuild. Het was het begin van een turbulente tijd. Provo, hippies, aanvallen op de bestaande macht. Hoewel het huishouden van mijn vader bijna spartaans was van inrichting waren zijn denkbeelden dat gelukkig niet. Hij omhelsde de verandering in denken. 

Het verblijf bij mijn vader was kort. Zijn nieuwe vrouw voelde niets voor de stad en zij verhuisden. Op zeventienjarige leeftijd leefde ik helemaal zelfstandig op een kamer bij mijn tante. Na van het Spinoza Lyceum te zijn heengezonden rondde ik mijn school af op het Barleus Gymnasium. Zat in de Scholieren Belangen Organisatie, Marja Oosterban was voorzitter en de latere mediamagnaat Derk Sauer zat er ook bij. De SBO werd gepiepeld door de Studentenbond ASVA die vond dat scholieren maar eerst hun eindexamen moesten halen.

Achteraf is dat kenmerkend. Iemand noemde mij de ‘dissidentie in de dissidentie’, altijd vraagtekens zetten. Ook bij de zogenaamd ‘juiste’ standpunten. Links gedroeg zich bijvoorbeeld als rechts, met net zo weinig vrijheid voor afwijkende ideeën. Terwijl diversiteit de essentie is van vrijheid. Niet alleen diversiteit van afkomst, geografisch of sociaal. Juist in cultuur en levensopvatting. Op die manier heb ik Amsterdam zien veranderen van een arme verzuilde stad, via de internationale hippie hoofdstad naar een divers en multicultureel oord in de jaren 70 en 80 tot de huidige internationale monocultuur. Vergis je niet hoeveel witter toonaangevend Amsterdam geworden is. Niet alleen in de ‘hippe’ wijken, ook in de culturele en wetenschappelijke kringen. 

Als wetenschapper ben ik sociaal geograaf en ontwikkelings econoom. Hoe mensen samenleven fascineert me. Mijn wetenschappelijke carrière is bijzonder. Toen ik afstudeerde in de jaren tachtig was er grote werkloosheid. Er was een grote angst om te hoog opgeleiden de baan van lager opgeleiden te geven. Geen ingenieur op de bok! De vakbonden waren er op tegen. Maar de politiek ook: want dan kreeg je mondige lastpakken in bedrijven. Dus heel veel hoogopgeleiden konden direct de bijstand in. Wetenschap was voor mij te belangrijk. Daarom heb ik een nul uren plek geaccepteerd aan de UvA. Zo heb ik jarenlang wetenschap bedreven zonder te hoeven vergaderen en formulieren in te vullen. Gelukkig kon ik me dat veroorloven. Het gaat mij om kennis, de bureaucratie van het onderwijs is aan mij niet besteed. Ik ben daardoor wel de eerste in een aantal generaties die geen hoogleraar is geworden. 

Wat is je rol in de stad?
Mijn vriend Geert Lovink zegt: de harde periferie. Je hebt invloed, maar staat niet centraal op een podium. Je zet je in voor dingen vanuit een houding en later blijken die dingen gevolgen te hebben. Zoals bijvoorbeeld mijn betrokkenheid bij de opkomst van het publieke Internet. Dat gebeurde allemaal niet met een plan. Het gebeurt, je gaat er mee aan de slag. Ik ben betrokken geweest bij het opzetten van De Digitale Stad (DDS) en later de Waag, Maatschappij voor Oude en Nieuwe Media (nu: Waag Society), een van de belangrijkste platformen voor digitale vernieuwing in Nederland en daarbuiten. Als mee en tegen denker. Want ik ben ook deel van het hackers collectief ‘Hippies from Hell’. In 1989 hebben we het eerste internationale hackers festival in Europa mede georganiseerd in Paradiso: de Galactic Hacker Party. Niet omdat wij alle ontwikkelingen van nu voorzagen. Maar vanuit een houding. Ik geloof in de IETF, de Internet Engineering Task Force: ‘rough consensus and running code’, grofweg vertaald: Samen proberen de zaak draaiend houden. 
De nadruk dus op wat ons bindt en niet op wat ons scheidt, dat is voor mij een noodzakelijke conditie om initiatieven samen te kunnen vormgeven. Niet overorganiseren en diversiteit naast elkaar laten bestaan. Dus ook bij ontwikkelingen die vrijheid-scheppend zijn. 

Wat is je plek in de stad?
Mijn plek in de stad is een sociale huurwoning. (anekdote unica?) In de stad, en voor de stad, ben ik een groot voorstander van huren. Wanneer beheerd door goede woningbedrijven zijn sociale huurwoningen een prachtige manier om de stad toegankelijk en divers te houden. Het houdt speculatie buiten de deur en is tegen de financialisering van de maatschappij. Financialisering houdt in dat je alles vertaald naar geldwaarde. Alles wordt daarmee duurder: ook dingen die je voor weinig of gratis zou doen krijgen de hoogst mogelijke prijs. Als kwasi-econoom durf ik wel te beweren dat de laatste onroerend goed crisis met een woningbestand gebaseerd op sociale huren niet was gebeurd. 

Ik ben ook een sterk voorstander van het basisinkomen. Wanneer het niet de kaalslag betekent van andere sociale voorzieningen zoals gezondheidszorg en onderwijs onder andere. Het is een verstandig systeem. Het neemt precariteit, de angst voor de volgende dag, weg. Je moet de zwakkeren beschermen. 
Mijn achtergrond zou je ‘bourgeois boheme’ kunnen noemen. Een burgerlijk milieu met vrijzinnige trekken. Zelf vind ik de positie van de lage adel heel interessant. Het geeft de aristocraat rechten maar ook plichten. Je hebt verantwoordelijkheden. Tegelijkertijd sta je autonoom en soeverein ten opzichte van het maatschappelijk gebeuren. Je moet niet bang zijn om verschillen te benoemen. Je kunt daar het begrip klassen voor gebruiken. De lagere klasse moet je meer rechten geven, als hogere klasse heb je meer plichten. In zekere zin waren ook de hippies een soort lage adel. Afkomstig uit de burgerlijke klasse, maar autonoom. Ze zagen af van zelfverrijking voor een maatschappelijk en cultureel idee. Oud hippie vrijplaats Ruigoord kun je ook zien als een verzameling lage adel. Een Poolse landdag. 
Die levenshouding was ook levensvatbaar. Nu is het anders. Door de globalisering en financialisering is het leven in de stad alleen mogelijk door je te conformeren aan de economische regels.
De huidige trend van privatiseren van gemeenschappelijke voorzieningen en eigendommen maakt de rijken rijker. De 99% verarmt. Een aristocratische houding waarin je ongebonden je voorrechten en plichten leeft is steeds lastiger. Het spreken over klassen of verschillen is verdacht geworden terwijl de tegenstellingen alleen maar groter zijn geworden. De helft van de mensen kent de andere helft niet meer, en wil dat ook niet.  

Je toekomst in Amsterdam?
Het is gek. Ik loop al een tijdje door Amsterdam als een toerist. Onder de indruk van de schoonheid. De historie. Nostalgisch bijna. Ik vertrek namelijk begin februari naar een dorpje boven Florence. Daar hoop ik toe te komen aan de dingen die ik het meest waardeer. Lezen, schrijven, naar buiten kijken. Bovenal vind ik er rust. De stad is voor mij  te druk geworden. Gehaast. Het is ook belangrijk dat ik dan op een uur rijden van mijn zuster woon. In die zin ben ik niet van de stad afhankelijk. Eigenlijk heb ik mijn leven lang met dezelfde waarden geleefd: eenheid is diversiteit. Dat zou ik ook graag aan Amsterdam willen meegeven.