Article index
Issue #017 articles
Issue #017 Published: 01-05-2018 // Written by: Jacqueline Schoemaker
Fading off the Grid
Voor de kleine evenementen in Pakhuis de Zwijger lukt het nog wel om ongeregistreerd naar binnen te lopen, maar aan de grotere kun je bijna alleen nog deelnemen als je reserveert, en daarbij gedwee akkoord gaat met het feit dat je met naam en toenaam (en liefst ook met foto) wordt genoemd op de website als deelnemer van dat event. 131.192 ‘leden’ heeft Pakhuis de Zwijger naar eigen zeggen bovenaan de site, dat zijn mensen die zich wel eens hebben aangemeld voor een evenement. Kun je ongevraagd lid zijn van een club? Bij de Katholieke Kerk kan het, en bij Pakhuis de Zwijger blijkbaar ook. Van het IDFA heb ik jaren geleden al afstand gedaan, toen je je ineens moest identificeren om de kaartjes die je online – ook al niet anoniem – had gekocht, op te kunnen halen. Ook in het theater ontkom je niet aan de registratietentakels. Terwijl menig theatermaker zich hard maakt voor de gezamenlijke beleving in de anonimiteit van de donkere theaterzaal, schroomt de organisatie niet om elke bezoeker bloot te stellen aan een grondig identificatieproces: adresgegevens, telefoonnummers en email adres zijn verplichte velden bij het kopen van een kaartje via de website; gebruikersprofielen worden opgesteld door de marketingafdeling; het kaartje via je telefoon gescand bij de deur; en enquêtes over wat jij ervan vond volgen onherroepelijk. Jaren later krijg je nog steeds ongevraagd het hele seizoenprogramma in de bus, al ben je misschien ooit één keertje in het betreffende theater geweest, hopende op wat anonimiteit in het donker. Bijna standaard wordt op congressen en lezingen – ook als deze gaan over de surveillancemaatschappij, privacy, overheidsinmenging in het publieke domein enz. – elke beweging, elk uitgesproken woord, nauwlettend geregistreerd. Niet alleen de sprekers op het podium worden ononderbroken gefilmd en/of gefotografeerd, ook de mensen in het publiek, die er op dat moment slechts voor kiezen om toe te horen, krijgen om de haverklap ongevraagd een film- of fotocamera in hun gezicht. Van Felix Meritis tot in de kelderzaal van Paradiso, overal wordt je aanwezigheid vastgelegd alsof het de normaalste zaak van de wereld is. Toen ik vanuit de zaal een keer een vraag stelde aan een spreker over de ontheemding van bewoners in Istanbul als gevolg van de gentrificatie daar, vroeg de organisator mij of ik eerst wilde rechtstaan voor ik mijn vraag stelde, zodat de camera mij beter kon vastleggen. Hoe meer mensen gelaten meegaan in deze ontwikkeling, hoe moeilijker het wordt om er nee tegen te zeggen. Probeer aan een theaterkassa maar eens een last minute kaartje te kopen voor een voorstelling zonder je naam en adres achter te laten. Soms worden je woorden “dat heb ik liever niet” met een knikje gerespecteerd, maar vaker klinkt het dat ‘het systeem’ een naam nodig heeft, en anders geen kaartje kan produceren. Als een illegaal sluip ik in de lezingenruimte Spui 25 langs de vrouw met de uitgeprinte namenlijst waarop ze de namen van de mensen die in de rij staan één voor één afvinkt. Als ze mij aanspreekt, en blijkt dat ik niet op de lijst sta, geef ik mijn naam op als een bekentenis. Nog moeilijker wordt het als je zelf als spreker ergens wordt uitgenodigd. Probeer de woorden “ik wil liever niet op Facebook” uit te spreken. Niemand zal zeggen, “nou nou, doe niet zo moeilijk”, maar je geeft meer van jezelf bloot dan wanneer je gewillig op de foto gaat (misschien doen zoveel mensen het daarom ook – wat als je niet aardig gevonden wordt?). Steeds meer word ik een grijze schim on the grid. Ik ga bijna alleen nog naar evenementen waar je je niet hoeft te identificeren. Betaal zoveel mogelijk cash. Hoe agressiever de surveillance en registratiedrang, hoe nauwer ik de capuchon over mijn oren trek, en doorloop. Ik ben een digitaal figuur dat langzaamaan verbrokkelt op het scherm, tot het profiel weggevaagd is en er slechts hier en daar wat onherleidbare puntjes overblijven.
Issue #017 Published: 26-04-2018 // Written by: Klaar van der Lippe
Jouw Cultuur is van mij
Amsterdam noemt zichzelf een creatieve stad. Verplicht ze zichzelf daarmee tot een bepaald gedrag, of is ‘creatief’ een willekeurig adjectief dat je overal aan kan toevoegen? Is een cultuur eigendom van iemand of is zij van iedereen? Om te begrijpen wie je bent moet je luisteren naar de ander. Een podcastvan Code Switch, African American Cultuur zender uit de Verenigde Staten behandelt de volgende vraag: ‘African Americans’ dragen Afrikaanse kleding en sieraden. Is dat ok? Is dat ok... Het panel beraadt zich. Afrikaanse sieraden en kleding representeren iets, een cultuur. Die uitingen hebben betekenis. Ze zijn onderdeel van en onderstrepen de identiteit van een specifieke groep mensen die hun leven op een eigen manier vorm en inhoud geven. Zomaar iets aantrekken omdat je het cool vindt en jij toch ook ‘African’ bent hoewel je niet precies weet hoe het zit is daarom dwaas. Dat vertelden desgevraagd een aantal Nigeriaanse vrouwen de reporter. ‘Je eigent je iets toe dat niet van jou is. Goede sier maken met andermans erfgoed is geen respect. Het is respectloos. Het is ‘Cultural Appropriation’.  Interessante kwestie. Kan je een cultuur sowieso opeisen als jouw eigendom? Hoe werkt dat bij ons in Amsterdam? Als ik om me heen kijk lijkt kleding hier meer imago dan identiteit. Toch zijn er grenzen. Stel je voor dat je nonnenkleren aantrekt naar de fitness. Dat is grappig maar ongepast. Een habijt dragen bij een demonstratie zou zelfs discutabel zijn. Ik claim daarmee iets, wat ik niet ben. Ik suggereer met mijn nonnenkleren een bepaalde moraliteit  om mijn eigen punt kracht bij te zetten.  Identiteit is meer alleen een cultureel fenomeen. Een manier van doen heeft ook economische waarde. Bij het ontbijt eet ik yoghurt. Op ‘Griekse wijze, staat er op het etiket. Sinds 1992 kent de EU de Beschermde oorsprongsbenaming. Deze garandeert dat Griekse yoghurt uit Griekenland komt en een bepaalde receptuur heeft. Onzin? Nee. Echte Griekse yoghurt is inderdaad lekkerder en duurder. En het steunt de Grieken zelf. Zou je dat belangrijk vinden.  Ook voor andere identiteiten, namen en titels  gelden regels. ‘Arts’ mag je je alleen noemen als je een diploma hebt. Misbruik wordt gestraft. Dat is logisch, een kwestie van algemeen belang. Je wilt geen zelfverklaarde dokter aan je bed.  Bepaalde beroepen zijn minder gereguleerd omdat de kennis die je er voor nodig hebt niet precies vastligt. Dit zijn de zogenaamde vrije beroepen zoals kunstenaar en adviseur. Toch gelden ook hier steeds meer afspraken. Bij aanvragen voor sommige subsidies is het voor jonge kunstenaars vereist dat ze een diploma hebben van een kunstacademie. Je bent dus kunstenaar op ‘artse’ wijze: met een bepaald niveau van kennis. Het concept identiteit krijgt voor mij meer handen en voeten.  Bij het volgende beleids debat over ‘Amsterdam, creatieve stad’ vraag ik me ineens af: wat is de aanspraak die je maakt gemeente Amsterdam? Doe je dat ‘op Griekse wijze’? Volgens een bepaald recept? Of ben je ‘Grieks’ qua herkomst, en zodoende maatgevend? Ben je een professional, weet je wat creativiteit inhoudt en hoe je het toepast? Of is het een cultuur: je leeft en belichaamt bepaalde creatieve principes zonder dat je je diploma hoeft te halen?. Het geeft te denken: bezuinigingen op de kunst, de cultuur begroting, het sluiten van vrijplaatsen, het verkopen van atelierruimtes, Beatrice Ruf... Goede sier maken met iets dat je noch begrijpt, noch van binnenuit beleeft, omdat het wel cool staat... Hoe heette dat ook weer? ‘Cultural Appropriation’!
Issue #017 Published: 20-04-2018 // Written by: Roel Griffioen
WW#18 “Ouwe lullen moeten weg”
Ouwe lullen moeten weg Ouwe lullen moeten weg Ouwe lullen moeten weg Ouwe lullen staan alleen maar in de weg —The Rules (Van Kooten & De Bie), 1989 Er bestaat altijd een zekere discrepantie tussen de documenten die uit de ambtelijke papiermolen van een stad komen en de geleefde realiteit van de mensen over wie het beleid uitgerold wordt. Zelden is het gat echter zo groot als sinds enkele jaren het geval is bij het Amsterdamse kunst- en cultuurbeleid. Terwijl de stad de grote trom blijft slaan over creatief “laboratorium” Amsterdam, het bruisende centrum van alles dat hip, vrij en kunstzinnig is, maken de kunstenaars zich grote zorgen over hoe het culturele landschap vanaf de onderkant gestaag afkalft.(1) Voorzieningen verdwijnen, betaalbare woon- en werkplekken worden steeds schaarser, netwerken eroderen omdat vrienden en collega’s naar het buitenland verkassen. Elk debat dat in de hoofdstad wordt georganiseerd rond kunstenaarshuisvesting, atelierbeleid, gentrificatie of de sluiting van presentatieruimte – en dat zijn er nogal wat momenteel – trekt gegarandeerd een volle zaal, als collectieve therapiesessies van een depressief verklaarde populatie van cultuurwerkers. Een van de belangrijkste kwesties waarop zich de ongerustheid van de hoofdstedelijke kunstenaars fixeert, is het broedplaatsen- en atelierbeleid. Voor veel kunstenaars geldt dat een betaalbare werkruimte een voorwaarde is voor de levensvatbaarheid van hun beroepspraktijk. Maar in een stad waarin vastgoed steeds duurder wordt, staat betaalbare ruimte onder druk, en atelierruimte vormt daarop geen uitzondering. Tel daarbij op dat de huren van woningen in de afgelopen jaren ook enorm gestegen zijn (2) en je begrijpt dat steeds meer kunstenaars, jong en oud, in de knel raken. Het broedplaatsenbeleid lenigt de nood naar atelierruimte enigszins, maar op een manier die doet denken aan een soufflé die moet blijven rijzen of bij de minste afkoeling direct inzakt. Er worden steeds meer broedplaatsen geopend, maar omdat de exploitatieperiodes steeds korter worden, zijn er ook steeds meer broedplaatsen nodig om het totaaloppervlakte op peil te houden. Hoe korter de cyclus van het vinden, maken, beheren en weer sluiten van broedplaatsen hoe meer energie en kapitaal ermee verloren gaat. (3) Dan is het ook nog zo dat er grote zorgen bestaan over de consequenties van recente Haagse en Brusselse woonwetgeving voor de ateliervoorraad, en over de manier waarop corporaties, die samen verreweg de meeste ateliers en atelierwoningen in de stad bezitten en beheren, deze regels gaan interpreteren en naleven. Dit alles is in de afgelopen jaren al meermaals en op verschillende manieren geagendeerd door kunstenaarsorganisaties Platform BK en de Kunstenbond en het adviesorgaan de Amsterdamse Kunstraad. (4) Ook andere groepen en organisaties trekken geregeld aan de bel, zoals actieplatform Fair City, diverse bewoners- en huurdersorganisaties en broedplaatsontwikkelaar Urban Resort. Met enig succes lijkt het, want zelfs in het Amsterdamse stadhuis begint het besef door te sijpelen dat een sprankelend ogend kunst- en cultuurbeleid in een stad nogal potsierlijk is als tegelijk kunstenaars vertrekken omdat er niet te wonen en werken valt. De vraag is echter of de voorgestelde maatregelen die bedoeld zijn om de atelierruimte te beschermen en waar mogelijk te creëren, op de lange termijn niet juist een nadelig effect zullen hebben op de stad en de plek van kunstenaars daarbinnen. In dit artikel wil ik het broedplaatsen- en atelierbeleid tegen een kritisch licht plaatsen, waarbij mijn aandacht vooral uitgaat naar de volgende deelonderwerpen: de onduidelijkheid rond de af te spreken ondergrens van betaalbare atelierruimte, oftewel de zogenaamde ijzeren voorraad; de invloed van de Woningwet 2015 en de rol van corporaties in de opvolging van de wetgeving; de gevaarlijke obsessie met ‘doorstroming’ en de invoering van tijdelijke contracten. IJzeren voorraad In de afgelopen vijftien jaar duiken er in de pers steeds vaker berichten op dat er ateliers verdwijnen in Amsterdam omdat de eigenaar, vaak een woningcorporatie, de huur sterk verhoogt of er een gewone, commercieel verhuurde bedrijfsruimte van maakt. Om deze ontwikkeling tegen te gaan of in elk geval te remmen, wordt er sinds enkele jaren gesproken over een zogenaamde ‘ijzeren voorraad’ van ateliers en atelierwoningen die beschermd moeten worden. Het gaat daarbij bijvoorbeeld om de grootschalige ateliergebouwen die voortkomen uit de kraakbeweging maar ook individuele ateliers die in handen zijn van corporaties en de gemeente. Tot een inventarisatie die Bureau Broedplaatsen uitvoerde in 2015 en 2016 had eigenlijk niemand een idee om hoeveel ateliers en atelierwoningen het werkelijk ging – ook de gemeente en corporaties niet – maar vandaag de dag is er nog steeds onduidelijkheid over de aantallen die worden gehanteerd. In de door Bureau Broedplaatsen geschreven nota Herzien Amsterdams Atelier- en Broedplaatsenbeleid 2015-2018 wordt gerept over 1100 ateliers en 275 atelierwoningen die in bezit zijn van de gemeente en de corporaties. (5) Dat maakt een totaal van 1375 ateliers en atelierwoningen. In de jaarrapportage 2016, gepubliceerd in februari 2017, heeft hetzelfde Bureau Broedplaatsen het echter over een totaal van ongeveer 927 ateliers (het is niet duidelijk of dit inclusief atelierwoningen is). (6) De Amsterdamse Kunstraad zit ergens tussenin de twee aantallen van Bureau Broedplaatsen. Zij spreken van circa 900 ateliers en “tenminste 275” atelierwoningen, hetgeen het totaal op 1175 brengt. (7) Het meest recente cijfer dat rondzingt is dat de ijzeren voorraad bestaat uit 750 ateliers. Dat is een daling van maar liefst 30 procent ten opzichte van de 1100 ateliers die werden genoemd in de broedplaatsennota, zoals Peter van den Bunder van de Kunstenbond heeft voorgerekend. Een uitroepteken lijkt mij hier gerechtvaardigd: Dertig procent! Die daling zit vooral aan de kant van corporaties. Werd hun atelierbezit in de broedplaatsnota nog geraamd op 700, nu spreekt men van 424 (-40%). (8) De getallen die in omloop zijn variëren dus nogal – en zorgwekkender: worden steeds lager. Bovendien kunnen er vraagtekens geplaatst worden bij de cijfers die het Bureau Broedplaatsen van de corporaties aangeleverd kreeg. Het aantal van 275 atelierwoningen klopt bijvoorbeeld niet omdat er in de specificaties per corporatie staat dat De Key 12 atelierwoningen bezit, (9) terwijl één complex dat in bezit is van De Key (het ateliergebouw op de Zomerdijkstraat in de Rivierenbuurt) alleen al 30 atelierwoningen telt. Als dit aantal niet juist is, kan dat dan ook gelden voor de cijfers die de andere corporaties hebben verstrekt aan het Bureau Broedplaatsen? Naar verluidt willen de corporaties geen lijst met adressen overleggen, hetgeen de controle van de doorgegeven aantallen natuurlijk per definitie onmogelijk maakt. Terecht merkte iemand op tijdens het door Platform BK en de Kunstenbond georganiseerde debat ‘Permanent atelierruimte gezocht’ dat de ‘ijzeren voorraad’ steeds kleiner lijkt te worden: “Elke keer lijken er weer een paar ateliers van de lijst gevallen te zijn”. Dat vat het sentiment onder de hurende kunstenaars goed samen: het aanhoudende gebrek aan duidelijkheid werkt in hun nadeel, omdat monitoring zonder duidelijkheid niet mogelijk is en er nog steeds rechts en links ateliers verdwijnen. Als men in elk geval scherp voor ogen heeft wat de totale ateliervoorraad is die in handen is van de stad en corporaties, en waar die voorraad is gesitueerd, heeft de discussie over wat er met die voorraad moet gebeuren ook meer zin. Bij de term ijzeren voorraad, die ik overigens wel zal hanteren in dit artikel, wil ik nog een kritische kanttekening bij plaatsen. De term ijzeren voorraad is ontleend aan de bedrijfskunde waar er de minimale hoeveelheid materialen en grondstoffen mee wordt bedoeld waarmee men een bedrijf of fabriek kan laten draaien. De redenering is dus dat er in Amsterdam een kritiek minimum aan atelierruimte nodig is om te blijven functioneren als stad. Dat is op het eerste gezicht een positief en vernuftig ‘frame’ omdat het de gedachte dat ateliers (en dus kunstenaars) onmisbaar zijn voor een stad als een vooraanname impliceert. Als nadeel heeft het ijzeren voorraad-frame echter dat er een economische legitimering verondersteld wordt: de minimumvoorraad ateliers (en dus kunstenaars) is nodig voor een succesvolle bedrijfsvoering van de B.V. Amsterdam. Uiteindelijk past deze zienswijze dus weer binnen het grotere neoliberale frame dat kunst alleen bestaansrecht heeft als het direct of indirect economisch rendeert. Kunstenaars en activisten in Amsterdam gaan naar mijn smaak te gemakkelijk mee in een economisch discours, terwijl dat discours juist deel van het probleem is – niet van de oplossing. Corporaties en de Woningwet Op de achtergrond speelt een ander en complexer probleem, namelijk dat woningcorporaties sinds 2015 hun sociale en commerciële taken scherper moeten scheiden. In goed Den Haag-speak worden de sociale taken ‘Diensten van Algemeen Economisch Belang’ (DAEB) genoemd en de commerciële taken ‘Diensten van niet Algemeen en Economisch Belang’ (hetgeen wonderlijk genoeg wordt afgekort als niet-DAEB). De Woningwet formaliseert met deze scheiding een eis van de toenmalige Europese mededingingscommissaris Neelie Kroes uit 2009, die, ingefluisterd door de lobby van vastgoedbeleggers, stelde dat als corporaties zich met publiek geld op de ‘vrije markt’ roeren, er sprake is van oneigenlijke concurrentie. Sindsdien geldt dat een corporatie op de markt moet handelen als een volwaardige marktpartner. Daarom is bij het niet-DAEB gedeelte van de portefeuille van de corporaties bescherming en een getemperde prijsstelling officieel niet toegestaan. Deze wet heeft – waarschijnlijk onbedoeld – verstrekkende gevolgen voor de ateliervoorraad in Nederland, om de simpele reden dat veruit de meeste ateliers in handen zijn van corporaties. De sociale kerntaak van corporaties wordt omschreven als het bouwen, verhuren en beheren van sociale huurwoningen aan mensen met een laag inkomen. Daarnaast is er echter in de DAEB-categorie ook enige armslag ingebouwd om “maatschappelijk vastgoed” te houden en “bepaalde diensten voor leefbaarheid” te verrichten. Als voorbeelden van “maatschappelijk vastgoed” worden wijkbibliotheken, scholen en buurt- en jeugdcentra genoemd. Kunnen ook ateliers of atelierwoningen ook in deze rubriek worden ondergebracht? Misschien, stellen sommige kunstenaarsorganisaties hoopvol. Nee, stelt toenmalig wethouder Kajsa Ollongren (D66) onomwonden in een brief aan de Raadscommissie Jeugd en Cultuur uit december 2016: “Er is een definitieve lijst waarin het Ministerie heeft aangegeven wat wel en niet daeb (sic) is. Daarbij is duidelijk: ateliers zijn niet-daeb.”(10) In een brief van Ollongren uit oktober 2016 biedt dan weer enige hoop: “Het ministerie staat toe’, zo lezen we, “dat corporaties deze ateliers in bezit en beheer houden, (…) maar in de huurstelling zijn de corporaties vrij in hun handelen”. (11) Dat correspondeert met wat een medewerker van het Ministerie van Binnenlandse Zaken (waar Wonen inmiddels in op is gegaan en dat onder leiding staat van, heus waar, minister Kajsa Ollongren) desgevraagd per email stelt: corporaties mogen bestaande kleinschalige ateliers wel degelijk onderbrengen in de DAEB-tak, maar in de toekomst geen nieuwe ruimten als ateliers vanuit de DAEB-tak verhuren.12 Dat geven de corporaties zelf ook toe. Tijdens een bijeenkomst met het veld stelden zij dat ze zelf de keuze hadden hun ateliers en atelierwoningen onder te brengen in de lade DAEB of de lade niet-DAEB. Zij moesten daarvoor voor 1 januari dit jaar hun scheidingsvoorstellen voorleggen aan de Autoriteit Woningcorporaties. Een definitieve beslissing is nog niet gevallen. Waarom is de berichtgeving vanuit de gemeente en vanuit Bureau Broedplaatsen hierover zo verwarrend? Zo zal er van de ijzeren voorraad, nog voordat scherp gesteld is wat die voorraad eigenlijk is, weinig overblijven. De kwestie toont bovendien de ambiguïteit van de taakstelling van de corporaties, waarbij op geheel arbitraire gronden een grens wordt getrokken tussen ‘sociaal’ en ‘vermarktbaar’. Die rigide scheiding roept vragen op, drukt de Amsterdamse Kunstraad eufemistisch uit, omdat het bij het bouwen en beheren van ateliers “gaat om activiteiten die in het kader van de interne markt als economische activiteit worden opgevat, terwijl er in nationale context sprake kan zijn van een publieke of sociale opdracht.” (13) Tegelijk wordt in het midden gelaten wat de consequenties zijn van dit onderscheid. Als de wet naar de letter wordt uitgevoerd, mogen corporaties nieuwe ateliers überhaupt niet tegen een ‘sociale’ prijs verhuren, hetgeen zou betekenen dat de in de stedelijke gebieden gesitueerde ateliers per definitie onbetaalbaar worden voor kunstenaars. Maar de teneur in de cryptische en soms onderling tegenstrijdige ambtsberichten uit het Amsterdamse stadshuis is dat de bal bij de corporaties ligt. Die mogen zelf een lijn trekken. Dit betekent dat hurende kunstenaars – en stedelijke overheden die een minimumvoorraad ateliers willen garanderen – overgeleverd zijn aan corporaties die de keuze zullen maken op basis van hun koers, financiële situatie en goodwill richting kunstenaars. Sommige zullen beslissen ateliers betaalbaar te houden, andere besluiten mogelijk onder het mom van de “wettelijke plicht tot winstmaximalisatie” het atelierbestand als begeerlijke verkoopwaar in de vitrine te schuiven. Zeker in een stad als Amsterdam kan er goed geld verdiend worden met het vrijkomen van al dat centraal gelegen vastgoed. Als de pot honing op tafel staat, vereist het veel zelfbeheersing om er niet af en toe een poot in te steken. Een corporatie waarvan weinig goodwill verwacht wordt door Amsterdamse kunstenaars is De Key. Dat komt omdat de corporatie in de afgelopen jaren enige malen in het nieuws is gekomen op een manier die de indruk wekt dat het kunstenaars liever kwijt dan rijk is. In september 2016 trekt kunstenaar Leo Wijnhoven aan de bel omdat hij door een huurverhoging van de woningcorporatie De Key zijn atelier dreigt te verliezen. “Ik had De Key een e-mail gestuurd omdat ik de stookkosten ineens zo hoog vond,” vertelt de kunstenaar in Het Parool. “Ik kreeg een e-mail terug waarin niet werd ingegaan op mijn vraag. Wel werd – vanuit het niets – gezegd dat mijn huur per oktober van 315 euro naar 550 euro per maand wordt verhoogd en of ik daarmee akkoord ga.” (14) Een jaar eerder komt De Key ook in het nieuws omdat het de ateliers en woningen in kraakmonument De Slang en de andere Tabakspanden in Spuistraat laat ontruimen. Die panden zijn ingrijpend gerenoveerd (gedeeltelijk met sloop en nieuwbouw) en worden nu na de herontwikkeling als “luxe koopappartementen en ruime town houses” voor duizelingwekkende vierkante meterprijzen tussen de 6.500 en 8.000 euro te koop aangeboden. (15) Eveneens in 2015 kon door een bestemmingswijziging van de deelraad De Key ook de atelierwoningen in het cultuurhistorisch belangrijke Zomerdijkcomplex, dat nota bene in 1932 speciaal voor kunstenaars is gebouwd, als gewone woning aanmerken en te koop zetten. Na de verkoop van twee atelierwoningen werd dankzij tegenstand van bewoners het plan om de rest ook de markt op te brengen geblokkeerd, of in elk geval on hold gezet. Vrijgekomen atelierwoningen worden nu onder het CAWA-statuut aan kunstenaars verhuurd, zij het aan kunstenaars onder de 27 en middels een tijdelijk contract, omdat De Key zich wil profileren als “doelgroep-corporatie” voor studenten en starters en geen (!) reguliere huurcontracten meer uitgeeft. De bestemmingswijziging van het gebouw is echter nooit teruggedraaid – dat werd te duur geacht door een meerderheid in de gemeenteraad – dus een garantie dat de atelierwoningfunctie ook in de toekomst gewaarborgd blijft, is er niet. Het is niet mijn inzet om hier het voorbeeld van de De Key te isoleren en in een negatief licht te zetten. Ook van Rochdale is bekend dat zij nieuwe ‘reguliere’ huurders in een atelierwoning hebben gezet, en soortgelijke verhalen kan men ook vinden met betrekking tot andere corporaties. De voorbeelden van De Key illustreren echter hoe groot de impact is als zelfs maar één corporatie besluit, alle afspraken ten spijt, na een koersverandering ateliers af te stoten. Dit toont hoe delicaat het huidige atelierbeleid is. Bovendien doet het de vraag rijzen hoe afspraken – of convenanten, of mortuariums, of gentleman’s agreements – over de ijzeren voorraad kunnen en zullen worden nageleefd, als de stedelijke overheid schijnbaar alleen kan toekijken als een corporatie besluit om het spel niet mee te spelen. Het zou mij niet verbazen als de ijzeren voorraad-afspraken straks te boek komen te staan als een gevalletje ‘too little, too late’. Doorstroming en tijdelijkheid Tot slot wil ik het nog hebben over een laatste zorgwekkende ontwikkeling in het stedelijk atelierbeleid, namelijk de introductie van de termen ‘doorstroming’ en ‘tijdelijkheid’. Dit zijn sinds enige jaren de magische woorden in woonbeleidland en nu worden ze dus ook toegepast met betrekking tot ateliers. Als iemand die geregeld schrijft over het woonbeleid weet ik dat deze woorden niet neutraal zijn maar desastreuze en diep-asociale wetgeving legitimeren. Het woord ‘doorstroming’ wordt vooral gebezigd om duidelijk te maken dat het daar nu juist aan ontbreekt. Sociale huurders zitten te lang op hun plek, daardoor groeien de wachtlijsten en raakt het woningstelsel verstopt, zo luidt de diagnose. Jonge mensen krijgen geen voet aan de grond in de stad. ‘Tijdelijkheid’ is voor dit probleem de geopperde oplossing. Tijdelijke contractvormen met een lage graad van huurbescherming – zeg maar: wegwerpcontracten – moeten ervoor zorgen dat huurders niet te lang op hun plek zitten en dat alles en iedereen vlotjes door het systeem spoelt. Het echte probleem – een grotesk tekort aan betaalbare woonruimte – wordt hiermee niet aangepakt. Integendeel, sociale huurwoningen worden in bulk de vrije markt opgeduwd en verdwijnen dus uit de publieke voorraad. Doorstroming is, in andere woorden, een beleidseufemisme voor een stoelendans waarin iedereen wordt aangemoedigd om op te staan en door te draaien, terwijl er steeds een stoel wordt weggehaald en er dus voor steeds minder mensen plek is. (16) Gij zult bewegen! Een zelfde manoeuvre vinden we nu in het hoofdstedelijke atelierbeleid. Ook daarin wordt gesuggereerd dat de honkvastheid van zittende huurders het probleem is, terwijl er voortdurend betaalbare ateliers verdwijnen en er dus steeds simpelweg steeds minder werkruimte te verdelen is. De eerder genoemde nota Herzien Amsterdams Atelier- en Broedplaatsenbeleid 2015-2018, opgesteld door Bureau Broedplaatsen, is een interessant voorbeeld. Vanaf de eerste pagina van de Inleiding wordt er een sterke nadruk gelegd op de instroom van jong talent: creatieve nieuwkomers die worden omschreven als “beginnende artistieke talenten die een ruimte zoeken om zich in Amsterdam te vestigen” of bondiger: “nieuwe ruimtezoekers met een bescheiden beurs”. Er wordt voorgerekend dat er zich jaarlijks tussen de 1000 en 1500 creatief geschoolden zich in Amsterdam willen vestigen. Met die “bescheiden beurs” zoeken ze naast betaalbare woonruimte ook een betaalbare werkplek. (17) Maar die plekken zijn schaars en de reeds hurende kunstenaars zijn niet bereid om door te schuiven naar een ander (en duurder) atelier. Om de toegankelijkheid van de stad te vergroten – “en daarmee Amsterdam te versterken als aantrekkelijke pleisterplaats voor talent en ondernemerschap” – is, u raadt het al, “doorstroming” noodzakelijk. Om dat te bewerkstelligen gaat de gemeente ateliers uitsluitend nog met huurcontracten van vijf jaar werken, die eenmalig met nog vijf jaar verlengd kunnen worden. Bovendien worden corporaties en broedplaatsbeheerders opgeroepen om eveneens “het herzien beleid met de maximale huurtermijn van vijf plus vijf jaar te volgen”, vanuit een “gemeenschappelijk besef van urgentie om nieuwe ruimtezoekende creatieven meer kans te geven op een plek”. (18) Er is niets mis met het accommoderen van instromers, maar de vraag is of de voorgestelde manier omdat te doen nu zo elegant is. Vooral omdat het de status van instromer laat prevaleren boven de status van zittende huurder. Om met de woorden van Claudia Zeller te spreken, die voor het project De Frontlinie al een scherpe analyse schreef over de broedplaatsennota, “het doel is nooit dat de kunstenaars blijven waar ze zijn”. (19) Zij stelt dat in dergelijke beleidsdocumenten de net afgestudeerde kunstenaar – het ‘jong talent’ – gezien wordt als “een grondstof om de stad en de economie draaiende te houden”. (20) Dat wordt ook duidelijk in hoe er geschreven wordt over de huurders van de zogenaamde ‘ijzeren voorraad’. Die stromen het minste door, stelt de nota. Het doorstroompercentage in de broedplaatsen ligt tussen de 5 en 15 procent. Daarbij zijn het vooral de creatief ondernemers die doorverhuizen naar een andere werkplek. Kunstenaars die vrij werk maken zijn “standvastiger”, hetgeen zich dus vertaalt in het lage percentage doorstroming in de ijzeren voorraad. Om de doorstroming te verhogen, zal getoetst worden of de zittende huurders nog wel genoeg kunstenaar zijn. Zo niet, dan komt hun ruimte vrij voor instromend talent. Die regel gaat ook op voor de atelierwoningen, zo staat te lezen: “Ook de zittende huurders in atelierwoningen, die momenteel nog een huurcontract hebben voor onbepaalde tijd, zullen volgens het vigerend broedplaatsenbeleid worden getoetst of zij nog voldoen aan de eisen voor een atelierwoning.” Een complicatie is natuurlijk dat de atelierwoningen vaak ook een sociale huurwoningen zijn. Pleit men hier echt voor het openbreken van doorlopende huurcontracten? Wat mij tegenstaat aan het discours in de broedplaatsennota is dat er – bewust of onbewust – een beeld wordt gecreëerd dat de jonge toptalenten zich verdringen bij de poorten van de stad, terwijl de in artistiek opzicht allang uitgebluste oud-krakers het zich gemakkelijk maken in ‘hun’ betaalbare en gunstig gelegen ateliers. Dit beeld komt zeker niet uit de lucht vallen. Al in 2002 stelt toenmalig Stadgenoot-corporatiebestuurder Gerald Anderiesen dat de Amsterdamse kunstenaars te nest-vast zijn. “Neem die discussie over broedplaatsen, goedkope vrijplaatsen in de binnenstad waar jong talent zich kan ontwikkelen. Ik zou dan zeggen: verhuur die op tijdelijke basis. Op een gegeven moment ben je toch uitgebroed. Dan moet je wegwezen.” (21) Dit is natuurlijk een extreem problematische gedachte. Want wat gebeurt er na de vijf of tien jaar dat een relatief betaalbaar atelier kunt huren? Dan moet je de markt op, zegt de politiek. Klaar om je eigen boontjes te doppen. Als dan ook nog het jongeren- of campuscontract afloopt waarmee je een relatief betaalbare woonruimte huurt, betekent het dat je een dubbele kostensprong wacht: voor een vrije-sector huurhuis, en voor een commercieel verhuurd atelier. Hoeveel kunstenaars is het gegeven dat ze op hun dertigste wel een huis en een atelier kunnen huren voor de woekerprijzen die in Amsterdam gerekend worden? “Maar ze hebben hun kans toch gehad?”, aldus brengen voorstanders van tijdelijke contracten hier graag tegen in. Dat pseudo-meritocratische punt – iedereen begint met dezelfde mogelijkheden – is in mijn ogen een slecht gecamoufleerd neodarwinistisch argument: wie het niet haalt heeft zijn mogelijkheden onvoldoende benut en voor verliezers is nu eenmaal geen plek in de stad. Feit is dat in de kunsten ‘succes’ zelden tot nooit tot uitdrukking komt in een netjes en gestaag oplopende inkomstencurve. Interessant genoeg komt dit ook naar voren in de broedplaatsennota: niet in de lopende tekst, maar in de korte kadertekstjes die het document van sjeu moeten voorzien. Daarin worden gearriveerde kunstenaars geïnterviewd over wat hun werkplek in een broedplaats betekend heeft voor hun praktijk. Verschillende kunstenaars geven aan dat ze, ondanks hun succes, nooit een marktconforme huur voor een atelier in de stad zouden kunnen ophoesten. De zekerheid dat je een atelier hebt waar je niet elk moment uitgezet kan worden, biedt een geïnterviewde fotograaf de mogelijkheid “voor het eerst aan lange termijnplanning” te kunnen doen: Het grote voordeel is dat investeren in de ruimte (met tijd en geld) opeens mogelijk wordt, dat je niet langer vanuit verhuisdozen een atelier hebt, maar vanuit je professionele eisen je eigen atelier [?] kan inrichten. (…) In de praktijk betekent succes in de kunst ook een enorme toename aan kosten. Mijn betaalbare atelier (…) is mij dan ook zeer veel waard. Het is de basis van mijn kunstenaarschap. (22) De invoering van tijdelijke contracten en de nadruk die wordt gelegd op doorstroming, symboliseert wat mij betreft hoe men in Amsterdam zowel bij het stedelijk bestuur als bij de corporaties vooral gericht is op het kapitaliseren van de aantrekkingskracht die de stad momenteel uitoefent op jonge nieuwkomers. Dat zie je terug in de gulzigheid waarmee corporaties – met name De Key en Stadgenoot – kortlopende jongeren- en campuscontracten hebben omarmd, maar ook in de gedrevenheid waarmee de stad enerzijds prijs opstuwende gentrificatiepolitiek bedrijft en tegelijkertijd onvermoeibaar energie blijft pompen in de broedplaatssoufflé. Ook in het atelierbeleid lijkt nu de leidende gedachte dat, om The Rules te parafraseren, ouwe lullen weg moeten omdat ouwe lullen alleen maar in de weg staan. Enkele bij corporaties hurende kunstenaars die ik in de afgelopen maanden heb gesproken beamen dit: “De sfeer is: al die oude krakers en kunstenaars zitten voor een dubbeltje op de eerste rij. Je wordt weggezet als een conservatieve ouwe lul die niet wil wijken.” En ook het ouwe lullen-schap zelf breekt steeds eerder aan. Om een andere kunstenaar te citeren: “In feite betekent [dit beleid] dat als je niet kapitaalkrachtig bent je hooguit tot je 32ste in de stad kan wonen. Voltooid leven voor armlastigen begint bij 32.” Een zinvol en succesvol atelierbeleid richt zich echter niet alleen op wie zich in de stad wil vestigen, maar ook op wie dreigt te moeten vertrekken. Nu het goed gaat met Amsterdam denkt de stad het geheim van de eeuwige jeugd in handen te hebben, maar alas, het gaat hier niet om een onsterfelijkheidselixer maar om plastische chirurgie, waarbij alles dat oud dreigt te worden onverbiddelijk wordt weggesneden. 1) Zie Gemeente Amsterdam, Kunstenplan 2017-2020, Amsterdam 2016. Download beschikbaar via: www.amsterdam.nl/kunst-cultuur/kunstencultuurbeleid/kunstenplan/ 2) De gemiddelde vrijesectorhuurprijs in Amsterdam is 22,28 euro per vierkante meter, meldt verhuursite Parasius. Zie: Tom Damen, ‘Huurprijzen in vrije sector stabiliseren’, Het Parool, www.parool.nl, 3 augustus 2017. 3) Zie Bureau Broedplaatsen/Gemeente Amsterdam, Herzien Amsterdams Atelier- en Broedplaatsenbeleid 2015-2018, Amsterdam 2016, p. 6. Zie ook de Grafiek ontwikkeling broedplaatsmetrage in Bureau Broedplaatsen/Gemeente Amsterdam, Jaarrapportage 2016: Bureau Broedplaatsen, Amsterdam 2017, p.6. 4) Voorbeeld is het Manifest behoud betaalbare ateliers in Amsterdam van de Kunstenbond, Platform BK, Loods 6 e.a. van oktober 2016. 5) Bureau Broedplaatsen/Gemeente Amsterdam, Herzien Amsterdams Atelier- en Broedplaatsenbeleid 2015-2018, Gemeente Amsterdam, 2016, p. 14. 6) Bureau Broedplaatsen/Gemeente Amsterdam, Jaarrapportage 2016: Bureau Broedplaatsen, Amsterdam 2017. 7) Amsterdamse Kunstraad, Briefadvies over het behoud van ateliers en atelierwoningen, december 2016, zie: https://www.kunstraad.nl/advies/ijzeren-voorraad/. 8) Peter van den Bunder, ingesproken tijdens de commissievergadering Jeugd en Cultuur, 5 oktober 2017. 9) Zie: Kajsa Ollongren, Laatste stand van zaken over inventarisatie ijzeren voorraad ateliers + atelierwoningen, Brief Raadscommissie Jeugd en Cultuur, 24 oktober 2016. 10) Kajsa Ollongren, Advies Kunstraad ‘Behoud IJzeren Voorraad’, Brief aan de Raadscommissie Jeugd en Cultuur, 15 december 2016. 11) Kajsa Ollongren, Laatste stand van zaken over inventarisatie ijzeren voorraad ateliers + atelierwoningen, Brief Raadscommissie Jeugd en Cultuur, 24 oktober 2016. 12) Deze email is verstuurd naar een belanghebbende en ingezien door de auteur. 13) Amsterdamse Kunstraad, Briefadvies over het behoud van ateliers en atelierwoningen, december 2016, zie: https://www.kunstraad.nl/advies/ijzeren-voorraad/. 14) Maxime Smit, ‘De Key verhoogt huur ateliers: ‘Ik kan nu de bijstand in’’, Het Parool, 4 september 2016, https://www.parool.nl/amsterdam/de-key-verhoogt-huur-ateliers-ik-kan-nu-de-bijstand-in~a4369554/. 15) Zie: www.wonenindekeizer.nl/. Zie voor de vierkante meterprijzen ook: Henk Willem Smits, ‘Erik de Vlieger over verkoop Tabakspanden (€7.500 per m2): Amsterdam is verziekt’, Quote, 6 september 2016, www.quotenet.nl/Nieuws/Erik-de-Vlieger-over-verkoop-Tabakspanden-7.500-per-m2-Amsterdam-is-verziekt-184205. 16) Deze metafoor ontleen ik aan de Bond Precaire Woonvormen. Tijdens de huurdersdag op 17 juni in het kader van Flexspektakel Utrecht werd het beeld van de stoelendans gebruikt om het effect van het huidige woonbeleid inzichtelijk te maken. 17) Die cijfers zijn gebaseerd op een onderzoek dat het Bureau Broedplaatsen in 2013 uitvoerde met de dienst Onderzoek, Informatie en Statistiek. Jolien Verlaek stelt in 2012 in Metropolis M dat in dat jaar ruim 1500 bachelorstudenten studeren afstuderen aan de kunstacademies van Nederland in de richtingen Autonome Beeldende Kunst en Vormgeving. Jolien Verlaek, ‘De Club van 1500: Eindexamen 2012 in cijfers’, Metropolis M, 12 juli 2012, www.metropolism.com/nl/features/22936_de_club_van_1500. 18) Bureau Broedplaatsen/Gemeente Amsterdam, Herzien Amsterdams Atelier- en Broedplaatsenbeleid 2015-2018, Gemeente Amsterdam, 2016, p. 11. 19) Zie: Claudia Zeller, ‘Hand op de knip: Over de economisering van het Nederlandse kunst- en cultuurbeleid’, in: Roel Griffioen (red.), De Frontlinie: Bestaansonzekerheid en gentrificatie in de Creatieve Stad, Amsterdam 2017, p. 151. 20) Idem, p. 153. 21) Geciteerd in: Roel Griffioen, Abel Heijkamp, ‘Woonnomadisme’, in Roel Griffioen (red.), De Frontlinie: Bestaansonzekerheid en gentrificatie in de Creatieve Stad, Amsterdam 2017, p. 49. Oorspronkelijk citaat: Fred van der Molen, ‘“Je moet je voortdurend instellen op een veranderende markt”, Interview: Gerard Anderiesen, van wetenschapper tot directeur’, NUL20, 1 (maart 2002) 1. Anderiesen was tot 1 oktober 2016 bestuurder bij Stadgenoot. 22) Zie kadertekst ‘Lard Buurman – fotograaf’, in: Bureau Broedplaatsen/Gemeente Amsterdam, Herzien Amsterdams Atelier- en Broedplaatsenbeleid 2015-2018, Gemeente Amsterdam, 2016, p. 9. Illustration: Yuri Veerman  Met dank aan: Platform BK
Issue #017 Published: 18-04-2018 // Written by: Anonymous
Short story: Tram encounters
It is dark outside. I sit in the tram, tired. I stare out of the window absentmindedly. My face is reflected in the window, but I do not see it. What I do see is a woman outside at the station. And a man, a young man with a black coat, seemingly overlapping her. Ah. He is a reflection. Not outside, but inside. The tram begins to move, and we leave the woman behind us. I glance over my shoulder at the seat across the aisle, and at the man in the black coat. Then I look back into the darkness, and at his reflection. He is listening to music. He has a moustache, larger than most, too large almost. It reminds me of a picture of Nietzsche I once saw. His hair is slicked back. There are shadows under the eyes, but without the defeated look of everyday exhaustion that often accompanies such shadows. He is young, twenty-something, and is enjoying his music. His head nods in time with it. He does not close his eyes, but I expect him to. As the woman across from him gets up, he gives a friendly double-wink, closing both eyes for half a second and opening the again to a somewhat distant smile. The tram moves on and he continues to enjoy his music. His attention to the music is now absolute, he nods his head more vigorously, mouths the words. There are brief tremors of ecstasy when favourite passages of the song hit his ears. I am enraptured by his display of free-wheeling passion, so different from faces grey with the everyday I see all around. Now, a boy approaches. Red sweater, jogging pants. He too listens to music. He too nods his head. Their reflections overlap and I wonder – what makes the two so different? The boy in red is young, his face is mild, without dark shadows. He has been spared. And he listens to his music calmly. It does not sink in. His attention is elsewhere. And his passion? I cannot imagine where his passion lies. Behind him, the man in black displays passion. The man in black is no longer in the tram but in his music, and as he realises his stop is near he jerks up, as if disturbed in a dream. As he prepares to get out, he stows away his music player, and gives a few seconds of the everyday. An anonymous person like any other, poker faced. But then - a hint of a smile comes back, and as the tram halts and the doors open, he leaps out in a burst of energy. He is tall, very tall. Two more strides and he is gone. I cannot help but smile. What is it that keeps people alive? It is my stop, and the boy in the red sweater gets off with me. He has a dufflebag slung over his shoulder, and walks normally, without any hurry. Behind me, he telephones. “Yes, grandma?” “So is it ok if I come by for breakfast tomorrow morning? At 10?” “Yes, 10 is good for me, so I can still sleep for a bit.” At 10 on a Wednesday, good student visits grandma. I think of what the man in the black coat will eat for breakfast tomorrow. Somehow, I don’t think that breakfast is something he does. I watch the student who is still a boy turn the corner. In his red sweater and tracksuit bottoms, the clean curly hair and shadowless face, I picture him sitting at breakfast the next day with his grandma. I bet he’s punctual.   Illustration: Marwa Mezher  
Issue #017 Published: 16-04-2018 // Written by: Stella Legioen
Millennials, ga kraken!
‘We zijn sme-rig. We zijn werk-schuw. We zijn lui. We heb-ben ons hoofd in de wol-ken. En we maken alles kapot.’ De woor-den die door de ge-ves-tig-de orde ge-bruikt wor-den om kra-kers zwart te maken zijn in-wis-sel-baar met die die wij mil-len-ni-als naar ons hoofd krij-gen. Aan-schouw de mil-len-ni-al: Heeft een ba-chel-or-di-plo-ma op zak maar rijdt de ganse stad rond om dure maal-tijd-sa-la-des naar yup-pen te bren-gen voor een scha-mel loon om zijn eigen ri-si-co en woe-ker-huur te be-ta-len, moet elke twee maan-den een nieuw huis zoe-ken omdat tij-de-lij-ke wo-nin-gen de enige enigs-zins be-taal-ba-re zijn. Mil-len-ni-als, ga kra-ken. Loop weg van je stu-die-schuld. Haak in met je beste vrien-den en noem ze ka-me-ra-den. Rijd de stad door op je fixie op zoek naar lege pan-den en be-trek ze, op een mooie zon-dag-mid-dag waar-bij je ver-steld zult staan van de groep men-sen die voor de deur blij-ven om de sme-ris op te wach-ten: het zul-len er meer zijn dan het aan-tal vrien-den dat je ‘ik zoek een huis’-be-richt op Fa-cebook zou-den delen. Vind el-kaar in schim-me-li-ge ker-kers, in ro-ke-ri-ge bars in de Spuistraat, in op-roe-ri-ge de-mon-stra-ties, schuif bij el-kaar aan bij volks-keu-kens en deel je laat-ste si-ga-ret na het toe-tje. Vind el-kaar in wat er waar is; het enige wat iets waard is; in de be-reid-heid om er-voor te knok-ken en de we-ten-schap dat je niets te ver-lie-zen hebt dan je huur. Daar in het Maag-den-huis is voor mij en vele an-de-ren met mij de kiem ge-plant van een ver-zet dat we ons leven lang bij ons zul-len dra-gen. Want in de gan-gen van het be-zet-te UvA-cen-trum be-groet-ten we el-kaar – of we el-kaar nu ken-den of niet. Dat maak-te na-me-lijk niet uit. We waren daar en voel-den het-zelf-de: hier ge-beurt iets, dat op-recht is. Hier wordt een waar-heid ver-de-digd. Hier pra-ten we niet over het weer, maar over hoe we ter-rein kun-nen win-nen in een sa-men-le-ving die ons weg-drukt. Re-vo-lu-ti-o-nai-re plan-nen sme-den was het nieu-we small talk. So-li-da-ri-teit het nieu-we in-di-vi-du-a-lis-me. Ver-zet het nieu-we se-ries kij-ken. En we leer-den een waar-heid die niet meer af te leren is, na-me-lijk dat de enige ma-nier om in dit sys-teem vrij te zijn, er-te-gen vech-ten is. Niet meer on-com-for-ta-bel zijn, in al je com-fort, maar an-ders-om: com-for-ta-bel on-com-for-ta-bel; op een cam-ping-mat-je de sme-ris op-wach-ten en je vrij-er voe-len dan ooit. Mil-len-ni-als, ga kra-ken. Ver-ruil je col-lec-tie vin-ta-ge-schat-ten voor ge-reed-schap en do it yourself. We heb-ben het in-ter-net, dus we weten hoe we wa-ter-lei-din-gen aan moe-ten leg-gen en poe-pen op je zelf aan-ge-slo-ten wc gaat nooit ver-ve-len. Wees alert op con-su-men-tis-me: kill the shop-per in your head. Meu-bels en kle-ren vind je op straat. Laat alles ach-ter wat niet in de ge-leen-de bak-fiets past. Het zal een be-vrij-ding zijn. Het enige wat je echt nodig hebt is me-de-stan-ders en wij zijn le-gi-oen. Mil-len-ni-als, stop met se-ries kij-ken in een door je beeld-scherm ver-lich-te kamer en ga kra-ken: het beste amu-se-ment is je eigen bed bou-wen uit pal-lets en de mooi-ste ge-sprek-ken heb je niet op Fa-cebook maar onder een bouw-lamp met je nieu-we huis-ge-no-ten. Ga voor je pand-je zit-ten en praat met de buren. In de so-ci-a-le huur-wo-nin-gen in je straat zit-ten bond-ge-no-ten ver-scho-len die je meu-bels en rest-jes pasta zul-len bren-gen in ruil voor een goed ge-sprek of het lenen van je ac-cu-boor. Kies je pan-den po-li-tiek: vecht met tan-den voor dat ene huis-je van Ymere dat in de ver-koop wordt gezet en mis-schien dan, over een jaar of tien, zijn er nog so-ci-a-le huur-wo-nin-gen over om je kra-ker-s-pen-si-oen in uit te zit-ten. Laat de rijke mas-to-don-ten niet alles van je af-pak-ken maar vecht terug. Zij aan zij met je nieu-we ka-me-ra-den en je nieu-we bond-ge-no-ten. Mil-len-ni-als, ga kra-ken. We weten al-le-maal in wat voor we-reld we leven: een we-reld waar-in al het avon-tuur kapot is ge-maakt. Ver-wel-kom het laat-ste avon-tuur: die we-reld ka-pot-ma-ken en een be-te-re schep-pen. Je zult in je op straat ge-von-den spie-gel kij-ken en weten: ik heb het goede ge-daan. Ik heb er-gens in ge-loofd en ik heb niet op-ge-ge-ven. En één och-tend, als de kof-fie prut-telt op de kook-plaat en de zon schijnt op je voor-ge-vel, zul je weten: dit is hoe het leven ge-leefd moet wor-den, in de tocht-ga-ten van het sys-teem, want al-leen daar hangt nog een fris-se bries.
Issue #017 Published: 05-04-2018 // Written by: Clara Davies
Minds Of Amsterdam
Minds of Amsterdam is a new AA column in which Clara Davies lets us meet a different artist working in Amsterdam each time. This might be someone she’s randomly encountered, someone who has triggered her curiosity or has somehow impressed her. It could be a painter, designer, musician or photographers – it doesn’t matter as long as she or he is a soul whose creative work adds a touch of magic to this world. The purpose? Using AA as a platform where people and art can meet. Enjoy! GHOM  GHOM: A woman, and three men; A viola, a synth, a cajon and an electric guitar. Their music genre? Alternative rock, experimental-folk as eclectic as the nationalities of this combo. Their presence on stage? Strong and distinct, with a pinch of glitter and a Breton cap.  Their debut album ‘A Debate About A Lobster’ was released February 8th – and it is a combination of cool and moving. You can find them playing in venues all around town, and you’ll easily spot me on the side of the room stomping my feet and holding a beer. GHOM, that’s a fun band name! What does it mean and where did it come from? Me (Roberto) and Maya, the viola player, we’re music partners since when we were living together in Istanbul, so our home was actually our music studio. And the same happened here in Amsterdam, where we find ourselves both rehearsing and composing mostly in our living room. We tried to find something that sounded funny, and Dutch as well, with that typical G rough phonetic. And ta dah: GHOM came out! What are you trying to express through your music?  Since we played together in Istanbul, our music was always a lot about the feeling of the moment, somewhat bringing up emotions and memories, something which is very common in the middle-east and less in center/north Europe. So I think we try to keep this mix - of warm, strong, powerful emotions, served with a cold climate :) besides, I don’t think we try to express much. Express ourselves, our love to music and to playing together, and try to reach people’s stomach and heart.  Your nationalities are as eclectic as your music. How did you come together? I am originally Italian and Maya is from Israel, but she’s been studying and making music in Holland for years. We originally met in Turkey, through another band which we were founders of, MavaRoz from an art collective based in Cihagir. Once we moved to Amsterdam, we met Ali by chance, who is from Istanbul but lives here. David is British and joined us by becoming the last piece of the puzzle.  David and I currently work in the same company.  You have developed a very peculiar sense of style on stage – why is that? Personally, I like to wear different costumes and put make up on. In addition, I like to hear magic but also see it on stage. I think it makes everything more fun and special. Music, performance, these are all forms of unordinary communication, something which stands-out from the daily routine. Weird leggings, masks and of course – glitter, we LOVE glitter. We need to be sincere on stage, that’s where the style plays a role. Pick one word that defines the essence of GHOM. More than one person defined us as ‘Apocalyptic’ during our performances. I’d say that is quite accurate and suits as well. Word on the street is you recorded your first album, how was that? We recorded in a very strange place, a temporary warehouse where I was living for a month, which to our convenience happened to have a mixer and monitors. So we called some technician friends from The Hague and they recorded us live. In a 4 hour, one-take session, we managed to record all of the 8 tracks of our debut LP called “A Debate About A Lobster”. It felt like going through a twin pregnancy at the time, but we made it! We decided to distribute the album as an artwork package made of a booklet that you can color as you feel (one color for each song) and a GHOM logo USB keyring. It definitely felt like we were making something god out of all these sounds we blow in the air.  What are the biggest advantages in your opinion to having your band based in Amsterdam over any other city? Amsterdam is sort of a no-man’s land, so you feel free here to do anything you like. It is also inspiring to be surrounded by many great musicians from all around the world, and so be able to swim between so many styles and scenes in one small place.  We thought this could be a fertile terroir for something like GHOM. What happens next – in music and in life? Now we’re trying to contact indie music labels, booking agencies and festivals, both abroad and around the Netherlands so we can get finally rich and famous and start making families. All the package of adult life. Enough of punk life! More info about GHOM: https://ghom.bandcamp.com facebook.com/GHOMband goghom.weebly.com
Issue #017 Published: 29-03-2018 // Written by: Jess Henderson
FIGHT CONSUMERISM. SOCIALISE!
The pull of consumerism is everywhere. We are bombarded with messages seducing us to buy. They incept us with the notion that possessing things confirms our success, confirms we are doing okay. They ensure that things will bring us happiness. Smart phones have given marketeers a direct channel to our emotions around buying. A direct channel to our attention – through a device designed to addict us.  Resist Resist the message to buy. Resist the temptation to spend money. Get off the couch. Get out into the world where social interactions relieve the emotional tensions advertisers play on. The ultimate anti-consumerist move is to socialise. “Refuse to isolate yourself.”  John Waters during his spectacular 2015 RISD graduation speech on creative rebellion. “...the whole selfie, internet narcissism trip – they’re training people to stay inside.”  Genesis Breyer P-Orridge in conversation with Douglas Rushkoff on Team Human, Dec 2017 “Distraction is a corporate neutralising agent. Distraction and isolation. Subvert these control mechanisms.” V Vale on NTS radio show Lucifer over Los Angeles, Dec 2017. Socialise We are lucky to have spaces in Amsterdam that allow us to simultaneously resist consumerism while still socialising. These spaces are our beloved autonomous spaces. Places that de-commodify social relations*. Places that are hubs for actual interaction and creation.  The places that make up the Amsterdam Alternative. *To put it in Marxist terms, in these autonomous spaces we are no longer subject to the law of value. Why autonomous spaces are important Within our daily lives, most of our social interactions have become determined by money. We spend much of our time and creative energy making money so we can pay rent, buy groceries, be insured, and what’s left is ‘free time’. In our ‘free time’ we tend to come together in places where social interactions are still determined by money. For generations before us, socialising happened more at home. But as our apartments shrunk and our society became less collective, we began to meet outside the house. Cafés, bars, restaurants, commercial music venues and cinemas – in all these places there is a clear producer-consumer exchange. We consume a cup of coffee, drink a beer, or watch a band play, while someone is earning money from their production, and our consumption, of them. Somebody who probably would not be there doing this if it were not for the wage earned. Not in autonomous spaces. Autonomous means free to act independently. It means self-run and self-governed. It means not-for-profit. Autonomous spaces are important as meeting places where people can break through their individualised existence and share knowledge, ideas, and desires. The ‘continent’ notion in this Donne quote touches on what makes autonomous spaces work – and important. To be aware of, and be part of, a larger whole contributes to our feeling of connection to that continent, and thus we become conductive to a sense of responsibility to maintain it. “No man is an island, entire of itself; every man is a piece of the continent, a part of the main” From ‘No Man Is An Island’ (1624) by British poet John Donne (We don’t see this piece in full often enough) These spaces are yours The live shows, the festivals, the screenings, the discussions, the VoKu’s... all of these are there for YOU. These spaces are made possible by volunteers, purely for the love of protecting our cultural spaces and filling them with life and life-fuel.  Harness them and dive into all they have to offer. Escape the monoculture rampant in our city, subvert control mechanisms, counter consumerism, and come home to places that want you and need you. Essentially Not every city has havens that actively subvert consumerism – ours does.  All we have to do to protect them, is go there.  Written by Jess Henderson of Outsider, an initiative for offline action. Do you have thoughts? Comments? Send them to yes@outsider.works   Illustration: Cris Kuhlen
Issue #017 Published: 22-03-2018 // Written by: Eoin O’Cunningham
Entertaining Mr Sloane, #metoo and heteronormativity
In 1967 the Parliament of the United Kingdom passed the Sexual Offences Act – an act that decriminalised same sex relationships in England and Wales. This was later implemented in 1980 in Scotland and 1982 in Northern Ireland. In the Netherlands it was 1811, with protection against unfair dismissal coming here in 1994. Meet Sloane, Kath, Kemp and Ed. It’s East London. It’s 1964. Same-sex sexual relations are punishable by prison and murder by hanging. Homosexuality is considered a mental disease, curable via electric shock treatment, hallucinogenic drugs, brainwashing techniques and aversion therapy such as when victims are shown photos of same sex relations while being given vomit-inducing poison. In 1960’s Britain, sexual harassment against women is commonplace in work and domestic environments with no legal framework existing to protect against instances of unwanted sexual advances and touching of any kind. Rape was not criminalised until the 1956 Sexual Offences Act, the production and consumption of child pornography not being banned until the Protection of Children Act 1978, and it was 2003 when an explicit definition of ‘consent’ was legally operative. The question is: how do people cope when the forms of harassment and abuse that they are being exposed to do not exist in legislation or in public discourse? Or when the words to describe the forms of abuse cannot be accessed by the victim for historical or social reasons? How does this enable the behaviour of the abusers? How does it compound victims’ misery? And how do silently operating forms of sexual abuse manifest in what is understood to be ‘normal’ and ‘deviant’ behaviour? Recently, the #metoo movement has catapulted these questions into mainstream public discourse. With their production of Entertaining Mr Sloane, Mike’s Badhuistheater provide a time and a space in which questions around sexual control, intimidation and violence can be confronted and debated. After all it is the realm of acting and theatre that has provided the context for the #metoo movement. The Welsh cultural critic Raymond Williams developed a term to understand lived practical experiences of dominance and oppression. He called it a structure of feeling. It refers to the tension that victims of race/sex/gender/class/age-based violence experience socially. Williams argued that when the affected lack the vocabulary to describe and diagnose their oppression or when it is not available to them, they engage in practical and impulsive solutions to resist against it. US feminist Patricia Hill Collins suggests that the victims of racial, gendered and sexual structural-violence have a complex and nuanced understanding of their situations, the likes of which their oppressors will never be able to achieve. The perpetrators of oppression also enact a structure of feeling as they view their harmful behaviour as morally justified and normal. For example, the majority of White people in the US supported Jim Crow segregation (1). The majority of British people supported colonialism and the majority of Dutch people supported the enslavement of kidnapped Africans in the Caribbean. To contextualise this today, the #metoo movement is overwhelmingly constitutive of the disclosure of the victim’s experience of sexual violence, while the perpetrators are silent hiding behind the structures of permissible, plausible and natural “doe even normaal”-mentality. Entertaining Mr Sloane is a play that offers an insight into sexual control and the consequences of heteronormativity (2) in 1960’s Britain and how it contoured the behaviour of a working class family and their new lodger, Sloane. It reveals both the visceral and torturous mechanisms of control and discipline enforced by the State and the intricate forms of resistance and power wielded by those who seek to fulfil deviant and stigmatised pleasure seeking. Kath’s love affair with Sloane is an attempt at resisting the constraints imposed on her as a working- class woman, domesticated, maltreated and tyrannised by Ed and her father, Kemp. Ed’s sexual desire for Sloane must be concealed, his hegemonic masculinity, machoism and bravado always on show in order to conceal detection. The fate of course is incarceration, institutionalised abuse and psychological treatment, the same treatments that we assume have shaped Sloane’s madness as he navigates life parentless, pornographic, depraved and dishonest. Entertaining Mr Sloane is often read as a play about dysfunctionality, but how do the characters function inside a system that is designed to hinder their sexual fulfilment? They function on levels that are designed to avoid stigmatisation and the labelling of deviance. In this sense, it should instead be read as a critique of the functionality of heterosexuality. The impulsivity of the characters’ behaviour is done to avoid the tension, unease, stress and displacement created by heterosexual relations being favoured at every institutional juncture. The play provides an insightful example to consider how unarticulated lived tension manifested in 1960’s Britain and how it may be unfolding today differently for specific people in particular places.   1) Jim Crow laws were state and local laws that enforced racial segregation in the Southern United States. Enacted by white Democratic-dominated state legislatures in the late 19th century after the Reconstruction period, these laws continued to be enforced until 1965. They mandated racial segregation in all public facilities .... 2) Heteronormativity is the belief that people fall into distinct and complementary genders (male and female) with natural roles in life. It assumes that heterosexuality is the only sexual orientation or only norm, and that sexual and marital relations are most (or only) fitting between people of opposite sexes. A “heteronormative” view therefore involves alignment of biological sex, sexuality, gender identity and gender roles. Heteronormativity is often linked to heterosexism and homophobia. ----------------------------- Coming soon in the spring Mike’s Badhuistheater presents The Good Soldier Švejk by Hasek. Directed by Mike Manicardi. “The Good soldier Svejk” by Jaroslav Hasek (1883 – 1923) is a theatrical Adaption by Mike Manicardi performed by the Badhuistheater International. Set in 1914 in Czechoslovakia at the end of the Austro Hungarian Empire, and the beginning of the First World War 1914-1918. Jaroslav Hasek was a satirical genius in his attempts to achieve Cz independence, and also attention for Cz language. His long and episodic novel, “the good soldier Svejk” (the most translated Cz novel into 60 languages) follows the life and fortunes of Josef Svejk, a dog thief and lover of life, who is forced to join the Austro Hungarian Army for a 2nd time in their war against Russia. The Cz battalion travels across Hungary and into now Southern Ukraine and Poland, where Svejk manages to confuse and create chaos for all his betters. He also has papers that he is an official Idiot. Manicardi played the part of Svejk himself some years ago in a very successful production. He has rewritten his play, to get it even closer to the original novel, and produces it now for his company the Badhuistheater International. His company has had recently great success and sold out audiences, with Blackadder , ‘Allo ‘Allo, and the O’ Casey Dublin Trilogy of Plays. The performance is in English, with some Czech, German, Russian and Hungarian. Hasek was a Czech writer, humorist, satirist, journalist, bohemian and anarchist. He is best known for his novel The Good Soldier Švejk, an unfinished collection of farcical incidents about a soldier in World War I and a satire on the ineptitude of authority figures. The novel has been translated into about 60 languages, making it the most translated novel in Czech literature. He is also known as the Obscure Czech Writer. Photo: Lulu Lightning
Issue #017 Published: 20-03-2018 // Written by: Geert Lovink
Let’s talk about social media
“Don’t cry because it’s over, smile because it happened.” Dr. Suess In early 2018, social media criticism has reached a new stage. In past months, voices from deep inside the IT industry have made themselves heard. The suspicion against Google and Facebook started with Russia’s alleged interference in the 2016 US presidential elections and social media manipulations through ads and changes in algorithms. Then founding president Sean Parker admitted that Facebook purposely gave users a short trigger, outed as “addiction by design”. Parker: “It’s a social-validation feedback loop... exactly the kind of thing that a hacker like myself would come up with, because you’re exploiting a vulnerability in human psychology.” Next to come out was Justin Rosenstein, inventor of the Facebook ‘like’ button, who compared Snapchat with heroin. And Leah Pearlman, a member of the same team, who admitted that she too had grown disaffected with the ‘like’ button and similar addictive feedback loops. And then there was Chamath Palihapitiya, another former FB executive, who claimed that “social media is tearing society apart,” recommending people to “take a hard break.”  These developments lead to the founding of the Center for Humane Technology, a creation of early employees at Facebook and Google, “alarmed over the ill effects of social networks and smartphones, banding together to challenge the companies they helped build.” (New York Times).  The centre plans an “anti-tech addiction lobbying effort and an ad campaign at 55,000 public schools in the United States.” In response Facebook itself announced a Community Leadership Programme. All this culminated in an unlikely place, not OT301 or Pakhuis de Zwijger, but the World Economic Forum in Davos, where billionaire-philanthropist George Soros attacked the “monopolistic behavior of the giant IT platform companies.” According to Soros social media companies deceive their users “by manipulating their attention and directing it towards their own commercial purposes. They deliberately engineer addiction to the services they provide. This can be very harmful, particularly for adolescents.” Soros sees similarities between Internet platforms and gambling companies: “Casinos have developed techniques to hook gamblers to the point where they gamble away all their money, even money they don’t have.” The most interesting prediction Soros made relates to the slow demise of the US tech giants from a global perspective: “Internet monopolies have neither the will nor the inclination to protect society against the consequences of their actions. That turns them into a menace. The owners of the platform giants consider themselves the masters of the universe, but in fact they are slaves to preserving their dominant position. It is only a matter of time before the global dominance of the US IT monopolies is broken.” None of the above directly or indirectly refers to the earlier social media critiques. Over the past years many have expressed concerns about the violations of privacy, the silly ‘friends’ category, the absence of the ‘dislike’ button and the take-over of news. The discontent varied from the Europe Against Facebook campaign, to Tim Berners-Lee, the inventor of the World Wide Web who repeated warned against social media monopolies. The current uprising of former employees can also be related to the small library of critical voices, from Nicolas Carr (The Shallows), Evgeny Morozov (The Net Delusion), Andrew Keen (The Internet is not the Answer) or Shirley Turkle (Alone Together). Most academic research on social media seems to have virtually no impact on the overall sentiment. Why get upset about Silicon Valley geeks and investors displaying such arrogance, they are the cyber lords, after all? The engineering dissidents of today kept their mouth shut for years, and are still deeply involved in the business, together with new teams of investors and consultants. Why should we give precisely them credit to develop less harmful alternatives?  What should our next steps be? Are you still on Facebook? Would you consider taking part in a Facebook Farewell Party? So far, Western-European activists have shown not much interest in ‘platform capitalism’: they are tired because they are wired. Most NGOs and social movements no longer employ their own servers and infrastructure and have become completely dependent on cloud-based services and social media platforms. The independent infrastructure of bookstores, print shops, paper magazines and book publishers has all but disappeared. As a result we find dozens of Facebook-only websites of initiatives that fight racism, colonialism and gender inequality who remain silent about their own channel of distribution. It is mostly the under-20 age bracket that leave Facebook. We can analyse such inconsistencies in the autonomous worldview until we drop dead, the good news is that finally times are changing. It’s pointless to say: “We told you so.” The fear of committing ‘social suicide’ may be irrational but for some of us loneliness and social isolation are all too real. We need to take back our own responsibility to build and maintain networks, and not leave that task to centralized platforms. How can we scale up and democratize all the debates and proposals of the past 5-7 years of those that worked on alternative network architectures? Is the reasonable, noble and moral appeal, made by engineers, the only one on offer? Doing digital detox and going offline is in fact an option only elites can afford. Hipster-mindfulness and self-mastery suggested by the likes of Peter Sloterdijk is no more than a marginal reform effort from a hyper-individualistic neo-liberal perspective. If offline is the new luxury, as the VPRO Tegenlicht television documentary was called, how else can we politicize the ‘social media question’? What’s not yet explored are large-scale cool campaigns that give people an opportunity to delete Facebook accounts. This is in the end what Silicon Valley tries to prevent at all cost: mass resistance and mass exodus. The demand for working alternatives is being heard. The momentum is there. Migrate to Diaspora, create your own newsletters, let’s organize our networks and create concrete ways out—together. If you’d like to know more, please subscribe to the Unlike Us mailinglist: http://listcultures.org/mailman/listinfo/unlike-us_listcultures.org.   
Issue #017 Published: 11-03-2018 // Written by: Fair City
“Amsterdam naar 2 miljoen inwoners?” Zef Hemel’s hipstertheorietjes leiden tot de dictatuur van het Kapitaal!
Afgelopen maand is er in de stad en in de media veel te doen over de explosief toegenomen drukte én over het feit dat de stad enorm moet groeien om deze problemen het hoofd te bieden. Heel groot moet het worden, om de druk beter te verdelen. Ook in de gemeenteraad horen we op verschillende momenten en bij alle partijen: Bouwen, bouwen, bouwen! Maar voor wie? Voor wie bouw je de stad? Wie komen er te wonen? En wat als je niet zo grootschalig tekeer gaat?  Adviseur van het huidige stadsbestuur en hoogleraar Zef Hemel komt afgelopen week op de gemeentewebsite met prachtige sociale verhalen om deze geprojecteerde groei te onderbouwen. Hij ziet zelfs een stad van 2 miljoen mensen ontstaan. “We moeten DROMEN en groot durven denken!”  Dit wordt vervolgens gelegitimeerd met een heel arsenaal aan modejargon: van de inclusieve stad; de open stad, een gastvrije stad voor iedereen; stad in balans; duurzame stad tot en met bestrijding van de eenzaamheid aan toe. “Hoe meer mensen, hoe minder eenzaamheid”. Ook de 17 miljoen toeristen per jaar die Amsterdam nu bezoeken zijn in deze analyse onderdeel van de oplossing: met meer inwoners komt de stad beter ‘in balans’. Hoogleraar Hemel was jarenlang als planoloog in dienst bij de gemeente. Hij zat maar liefst tien jaar in de directie van de dienst die de stad ontwikkelt. Die grote ambtelijke dienst is gaan dromen over de aantrekkelijke stad en is daarbij de realiteit helemaal uit het oog verloren. Het gaat ons niet om deze man, maar om wat hij representeert en met deze hipstertheorietjes ook legitimeert. Het uitgebrachte advies over groeien naar 2 miljoen inwoners is geen serieus alternatief voor Amsterdam maar een rookgordijn om een neoliberale stadplanning te rechtvaardigen. Planologie is blijkbaar geen wetenschap maar meer een soort verzameling van hipstertheorietjes ter ondersteuning van het heersende marktdenken.  Dat moet anders! Over welke stad hebben we het eigenlijk? Amsterdam is een metropool, wordt gesteld door dezelfde ruimtelijke planners en politici. Volgens Faircity zijn er inmiddels twee steden, een groeiende stad voor de rijken en een krimpende stad voor de lagere inkomens. Het stadscentrum heeft een grote aantrekkingskracht op internationaal kapitaal en investeerders. Dat ontstond niet vanzelf. Onder burgemeester Van der Laan is massief ingezet op het verbeteren van de positie van de stad ten opzichte van internationale competitie. Dit programma heette TOPSTAD. De stad werd een succesvol merk (I-amsterdam) met een citymarketingbudget van in totaal 100 miljoen euro. Om je vingers bij af te likken. Zo wordt de stad een consumptieartikel, lekker aangekleed met Zef Hemel’s hipstertheorietjes. Dat resulteert nu dus in een monocultuur van geld. Ook woningen zijn handelswaar geworden. De dominante functie in het straatbeeld is vertier en consumptie. “De grote vloek der saaiheid”, noemde stedenbouwkundig criticus Jane Jacobs dit. Wat voor stad willen we zijn... en groei, groei waarvan? Zuigt Amsterdam de rest van het land leeg? Deels wel; delen van Nederland krimpen terwijl een aantal steden, waaronder Amsterdam, groeien. Grotendeels ook niet, want de grote instroom van Amsterdam komt uit het (westerse) buitenland. Deze groep koopt al enkele jaren het merendeel van de woningen op, ook in de 19de eeuwse wijken. Op het grootste deel van de Amsterdamse woningmarkt heeft het grote geld nu vrij spel; zowel in de koopsector als in de particuliere huursector wint de hoogste bieder. Ondanks alle modieuze begrippen van de afgelopen jaren, zoals ‘de ongedeelde stad’, wordt de kloof tussen rijk en arm steeds groter en schrijnender. Dit is een groot gevaar voor de sociale samenhang in de wijken maar ook voor de stedelijkheid zelf. Wat kunnen we doen? Ingrijpen in de huidige woningmarkt is minstens zo belangrijk als het bouwen van meer huizen. Stop nou eindelijk (na meer dan 20 jaar!) met de verkoop van sociale huurwoningen (meer dan 32.000 zijn er inmiddels verkocht). Pas op de particuliere huursector weer de regels toe van huurhoogte en inkomen; maak er een beschermde sector voor middeninkomens van. Zonder deze ingrepen is nieuw bouwen dweilen met de kraan open: er verdwijnen meer betaalbare woningen dan je tegenop kunt bouwen. Stop met de verkoop van gemeentelijk vastgoed. Hiermee kunnen we een tegenkracht organiseren door op plekken in de stad te sturen op diversiteit en betaalbaarheid. Zo wordt de stad geen slachtoffer van haar eigen succes. Door het activeren van een tegenmacht gaan we de zelfvernietiging van diversiteit tegen. Als we dat niet doen, wat houden we over? Monocultuur!  Dat laten we niet gebeuren. www.faircity.amsterdam Wil je in gesprek over jouw Amsterdam? Kom op 11 maart vanaf 15.00 uur naar ons lijsttrekkersdebat in de tuinzaal van de Tolhuistuin in Noord. Faircity en verenigde huurdersorganisaties organiseren op die dag een debat tussen burgers, politici en experts over hoe de stad weer van haar bewoners wordt. Waar welvaart en welzijn weer in balans komen, en we niet zelf op de vlucht hoeven voor het kapitaal. Die stad is van ons!