Article index
Latest articles
 

Through this index panel you can filter the articles from every published news paper + the online only articles. click on on of the issue numbers below to select the issue you would like to view. click on an article block to view full text.

Issue #013: June-July 2017Issue #012: April-May 2017Issue #011: Feb-Mar 2017Issue #010: Dec-Jan 16/17Issue #009: Oct-Nov 2016Issue #008: Aug-Sept 2016Issue #007: May-June 2016Issue #006: Mar-Apr 2016Issue #005: Jan-Feb 2016Issue #004: Nov-Dec 2015Issue #003: Sept-Oct 2015Issue #002: Jul-Aug 2015Issue #001: June 2015Online only

Issue #013 Published: 13-07-2017 // Written by: Eve Kalyva
Review On stillness and exploration II
Continuing with the theme of Japanese performing arts from last issue, this review discusses noh theatre. The oldest form of Japanese theatre, noh has very strict norms of execution. With a minimalist setting, economy of expression and abundance of allusion, noh leaves much to the imagination. Like in butoh, stillness and precision of movement become fundamental in exploring the essence of things. There is a high degree of abstraction, therefore, of restraint and discipline, in order to allow that which lies behind appearances to come forth and take substance and form. Central to this is the concept of ma, the negative space or the interval between form and non-form. Rather than a reduction, ma is the consciousness of space. It is the gaps between the objects and the pauses between the sounds which enable their manifestation. Embodiment is a fashionable term in contemporary art talk. It can be understood as capturing something general or abstract into a specific form in the here and now. In more critical terms regarding positive social change, embodiment concerns giving agency and voice to a body (or bodies) to claim an identity. Notwithstanding, this process also risks reducing the complexity of those embodied concepts into something singular – a singularity which will not fit everyone and which, more importantly, can be easily co-opted by the dominant power structures. My interest in noh theatre comes as a possible response to this problematic, involving two opposite forces: making an idea concrete and relevant, on the one hand, and trying to retain open the possibilities of what that idea can mean, on the other.  Consider a bare setting. An actor enters, sits with his back to the audience and puts on his mask. Under a bright constant light, one sees the wooden floor, the black dress, the white background wall. A melody fills the room, as the masked body moves around with precision. Nothing is made concrete and yet everything is deliberate: how the white socked feet stomp on the wooden floor and how the knees pull away; how the arms swirl around their kimono sleeves and the head turns slowly; how the squared body stands low, firmly pressing the ground, and yet somehow seems suspended from the ceiling. In its restrained mobility, it is full of energy. The performance, made more active to fit non-Japanese audiences, stirs some narrative in the imagination but one cannot really pinpoint it down. Much aided by the music’s rhythmic intervals, there is a sense of exploring the relation of the body to space and to itself. This wandering makes one wonder about all that lies behind appearances, between the visible and the invisible, this world and its endless possibilities, the limited we can see and the boundless we can imagine.  The noh stage has no curtains or partitions to conceal any background preparations. A uniquely carved mask is used to externalise internal emotional states and de-personalise the actors in order to evoke the spirit. Nothing remains fixed or static in a careful composition of action and inaction, sounds, chanting and shadows. The play ends and the actor exits the stage passing next to the audience. There, he briefly pauses to mark this moment of transition. Then the room returns back to being a room, the people people, the chairs chairs. But, hopefully, not quite. The performance was organised by Deshima AIR on 18 April at the recently renovated Dokzaal (part of the legalised squat PlantageDok). Founded in 2013, Deshima AIR aims at maintaining and strengthening the cultural relationship between the Netherlands and Japan. The performance  comprised a solo (Toshikazu Marumachi, Deshima AIR artist in residence), a duet (Marumachi and Miyuki Inoue) and a choral improvisation (Marumachi and Generic Choir). Playful and energetic, the duet used improvised instruments such as a gramophone horn (later made into a hat), plastic tubes and sea shells. Words were turned into sounds turned into dialogue turned into images. In the myriad of sounds that they produced, those full of life bodies took on any form.  This interplay between communicating and standing apart, the body and embodiment, the materiality of the sound and the transcendence of presence was further explored through improvisation in the third part. A masked body gave cues for other bodies to articulate their voices but also realise how they interconnect in place and time. Responding to and resonating with one another, they created a self-organising assembly which navigated itself through a beautiful symphony of sounds, rhythms, pauses and exclamations.  If there is a long list with what is wrong with art today, high on that list is the lack of discipline. Discipline to execution and form. This type of artistic discipline is not about restriction, but about precision. It is about doing away with the frivolous, the unnecessary, the adornment, the easily consumed and the equally easily discarded. It is about getting to the heart of the matter.  Noh practitioners argue that tradition is not a limitation but a foundation. Discipline enables one to work through restriction in order to articulate something new. As our lives are being commodified and sold back to us as lifestyles, it is difficult to find adequate registers of communication and collaboration. In creative as much as in socio-political terms, we need to resist the senseless consumption of things and ideas, recover a common ground and move from the individual to the collective.   Photo credit: Duet performance by Toshikazu Marumachi and Miyuki Inoue. Photo by Deshima AIR www.deshima-air.com 
Issue #013 Published: 11-07-2017 // Written by: Stijn Verhoeff
Niet alles krijgt de aandacht die het verdient. Over de film The Fits
Voor menig mediaschuwe maker is het een frustrerende aangelegenheid: uren, weken, maanden werk zijn er in een film, een boek of een tentoonstelling gestoken en na de presentatie of de lancering valt het stil. De receptie is middelmatig. Het werk gaat niet de wereld over zoals gehoopt. Het enige wat de maker rest is zich herpakken en weer aan de slag. Want “Talent komt vanzelf boven drijven!”, zeggen de optimisten. “Nee,” antwoorden realisten, “met talent alleen redt je het niet. Er is veel meer voor nodig om een werk de wereld in te krijgen.” Zoals een goede PR bijvoorbeeld, opperkoning Matthijs van Nieuwkerk weet er alles van. Waarop weer een groep reageert met “Aan dat oppervlakkig spektakel doe ik niet mee.” Voor sommige makers boeit het echter niet of hun werk nu veel of weinig mensen bereikt. Het gaat immers om het werk zelf, of één iemand dat ziet, of duizenden, dat maakt hen niet uit. Soms verdient een werk een groter publiek, soms ook verdient het publiek een bepaald werk. Neem de film The Fits. Ik schat dat honderd Amsterdammers deze film in de bioscoop hebben gezien. Maar kort draaide hij in twee kleine zaaltjes: bij FC Hyena (een bioscoopje in Noord, vlak bij het KNSM-eiland pontje) en bij Lab 111 (voorheen Smart Project Space, nabij het WG-terrein tussen de Overtoom en de Kinkerstraat). De meeste bioscopen lieten de film links liggen en geen enkel Nederlands dagblad schreef over The Fits. Waarom hebben zo weinig Amsterdammers deze uitzonderlijke film gezien? Hebben de producenten van de film de juiste Nederlandse distributeur niet gevonden? Zijn de programmeurs van de bioscopen in Nederland slecht geïnformeerd? Of zijn Amsterdammers niet geïnteresseerd in het met weinig woorden vertelde verhaal van een zwart meisje in een middelgrote Amerikaanse stad?  Gelukkig leven we in een tijdperk waarin het niet moeilijk is om een film zelf in huis te halen. Lang leve het internet. The Fits is in vele opzichten een bijzondere film. Enige achtergrondinformatie: de film bestaat uit een honderd procent zwarte cast zonder dat racisme het onderwerp is (in onze overgevoelige tijden van identity politics een verademing). Deze cast is voor het grootste gedeelte minderjarig, maar een kinderfilm is The Fits allerminst. Negentig procent van de acteurs is vrouw en ook de crew bestaat voor een groot gedeelte uit vrouwen. Regisseur Anna Rose Holmer schreef het script samen met een vrouwelijke producent en een vrouwelijke editor. Over het maakproces zei Holmer dat iedereen die aan de film meewerkte het gevoel had dat het haar of zijn film was. Met andere woorden, iedereen was even belangrijk, wat ongebruikelijk is in de hiërarchische filmwereld. Is het belangrijk dat ik dit alles benoem? Ik zou zeggen van wel, want ik ben van mening dat het in de film terug te zien is. De film spreekt een taal die weinig wordt gesproken. Een taal die gek genoeg niet over taal gaat. The future is female. In The Fits speelt Royalty Hightower met veel overtuiging de 10-jarige mysterieuze Toni. Toni wordt door haar oudere broer in de sportschool klaargestoomd voor de wereld. Iedere dag trainen ze samen. Kort wordt de afwezigheid van hun vader gesuggereerd, maar de buitenwereld blijft veelal buiten beeld.  Regisseur Holmer weet dat wij kijkers de harde wereld reeds kennen en heeft niet de behoefte ieder woord te spellen. Sterker nog, zij laat Toni in stilte spreken. Haar ingetogen blik en haar geconcentreerde uitdrukking zeggen genoeg. We zien Toni boksen, zich optrekken, met haar sporttas sleuren. Twee prachtige vlechten draagt ze. Haar gezicht staat gespannen, voor kinderlijk plezier lijkt weinig ruimte. Ze moet sterk zijn, ze moet haar mannetje staan. En dat doet ze, met overtuiging en kracht. Tegelijk voel je dat er achter het schild dat ze optrekt iets anders zit. Ze is bovendien nog een kind. Waarom bewapent ze zich? En waartegen? De film reikt amper tot buiten de deuren van het gebouw. Binnen gebeurt er genoeg, het is een wereld op zich. In een andere ruimte van hetzelfde pand, in de gymzaal, bevindt zich een groet groep meisjes die op een andere manier hun eigen lichaam en hun positie in de groep leren kennen. Ze dansen. Wild, rauw, en agressief bijna. Ze maken zich op voor dance battles die ze met andere groepen houden. Twee oudere tieners doen de jongere meisjes voor hoe het moet. Nieuwsgierig kijkt Toni naar wat er daar gebeurt. Van achter een raam ziet ze hoe de meisjes zich opstellen, hoe ze hun lichamen laten bewegen. Meedoen durft ze niet. Totdat een tweede tienjarige, Beezy, eveneens geweldig vertolkt door Alexis Neblett, haar uitnodigt mee te doen. Langzaam voegt Toni zich in de groep, langzaam laat ze het schild dat ze draagt vallen en laat ze het kind in zichzelf los. Ze mag lachen, ze mag dansen, totdat er gebeurt waar de titel van de film naar verwijst: een mysterieus fit, een inval, een vlaag, een stuip sluipt het pand binnen en neemt de meisjes in haar greep. Wat is dit rare spastische gekronkel op de grond? Is het drinkwater vervuild? Zijn de meisjes … Nee, ik zeg niks meer. Gaat dat zien en vertel over deze film, opdat meer mensen dit kleine meesterwerk mogen zien.  Drawing: Marwa Mezher  
Issue #013 Published: 01-07-2017 // Written by: Jacqueline Schoemaker
‘Ter verdediging van serendipiteit’: een gesprek met Sebastian Olma
Onlangs presenteerde Sebastian Olma zijn boek In Defence of Serendipity. ‘Serendipiteit’, het is zo’n woord dat ik wel eens gehoord had, waar ik een vaag begrip van had maar waar ik niet precies mijn vinger op kon leggen. Sebastian splitst het begrip op in twee delen: accident (het toeval, het spontane, dat wat niet bedacht en gepland kan worden) en sagacity (de kennis, wijsheid en intuïtie die nodig zijn om op een vruchtbare manier in te spelen op het toeval). Het begrip serendipiteit wordt in het boek ook op een andere manier tweeledig gebruikt: enerzijds verwijst het naar een krachtige bron van innovatie en creativiteit maar anderzijds wordt beschreven hoe het, net als deze twee begrippen, misbruikt wordt door bedrijven en overheden in onze huidige samenleving om een vals beeld te creëren van vrijheid en vooruitgang terwijl stilstand, inperking en controle de eigenlijke norm zijn. Zo handelt een hoofdstuk over de zogenaamde sharing economy eigenlijk over de hebzucht van het platform kapitalisme, verwijst de term passion naar arbeidsomstandigheden die vooral door verveling gekenmerkt worden en gaat autonomie met name over de benarde situatie van afhankelijkheid waarin steeds meer zzp’ers en andere leden van het precariaat zich bevinden. De retoriek die door overheden en bedrijven met een glimlach wordt gebezigd lijkt vers geplukt uit de Ministry of Truth van George Orwell’s 1984 (waar ambtenaren vooral bezig zijn leugens te formaliseren). Redenen te over om een gesprek aan te gaan met Sebastian Olma n.a.v. zijn publicatie. Een gesprek over mogelijkheidsruimte, over markt en autonomie, over community en openbaarheid. Mogelijkheidsruimte We are dealing with a state in which the future is violently drowned in the constant chatter about innovation. S.O.: Om sagacity te stimuleren, zijn maatschappelijke voorwaarden nodig. Het is iets dat je leert, dat je ontwikkelt, en dat kan alleen als je de mogelijkheid krijgt om breed te kijken. Veel mensen zijn tegenwoordig bijvoorbeeld enthousiast over ‘creatieve ruimtes’ maar als je goed kijkt dan zie je dat er in zo’n ruimte mensen werken die er allemaal hetzelfde uitzien, die op een vergelijkbare manier denken en die allemaal met dezelfde projecten bezig zijn, in ruimtes die allemaal op elkaar lijken.  J.S.: Wat zijn de maatschappelijke voorwaarden voor het ontwikkelen van sagacity? Zijn ze er ooit geweest? S.O.: Het is niet een soort Eldorado dat we zijn verloren. Maar toch, in de vroege jaren ’70 was er heel veel culturele creativiteit aanwezig: mode, muziek, de interessantere panden in Amsterdam stammen allemaal uit die tijd, en daar teren we vandaag nog steeds op. Die cultuur kwam voort uit een mentaliteit waarin men niet zo veel waarde hechtte aan winst. Het mocht niet te veel te kosten, als het maar origineel en innovatief was. Er heerste een diepe economische crisis, de sociale structuur was veel relaxter dan vandaag.  J.S.: We leven nu ook in een economische crisis, maar de sociale structuur pakt toch heel anders uit dan toen. S.O.: Dat komt door de digitale revolutie, waardoor mensen steeds meer gestroomlijnd worden. Politieke, bestuurlijke instanties hebben nu veel meer grip op wat er gebeurt in een stad als Amsterdam dan in de jaren ’60 en ‘70. Tot 3 decennia geleden wisten de stadsbesturen niet precies wat er in de wijken gebeurde, wat er in de kunst gebeurde. Dat wilden ze ook niet weten, dat hoorde niet. Nu is alles verbonden via technologie en weet iedereen alles van elkaar. Bovendien zijn we nu ook almaar bezig met het ontwikkelen van ons eigen brand, met marketing, steden net zo goed als individuen (wat trouwens een waanzinnig idee is, dat steden met elkaar in competitie gaan!). Deze bezigheden leiden ons af van het ontwikkelen van een visie op de toekomst. Er is natuurlijk veel energie van (jonge) mensen aanwezig, maar die wordt strikt gekanaliseerd: je mag jezelf ontwikkelen via urban farming, 3d-printing en co-working, maar als je niet aan deze parameters voldoet, hoor je er niet bij en krijg je geen financiering en geen aanzien binnen het bestel. En binnen dit bestel gebeuren juist de minst creatieve dingen in de maatschappij.  Markt en autonomie Young professionals and freelancers are regularly fed the notion that not being paid properly for their labour makes them the avant-garde of a better economic system to come.  S.O.: Zodra de staat zich terugtrekt, slaat de markt toe als normsteller. Bovendien laat onze maatschappij met het doorgeslagen marktdenken een enorm veld aan potentiële maatschappelijke activiteiten links liggen. Door de hele maatschappij te reduceren tot een markt, wordt sociale cohesie kapotgemaakt. Iedereen moet met elkaar in competitie, maar lang niet iedereen kan als een superheld steeds maar voor zichzelf vechten. Daarbij is die competitie, gezien de structuren (digitale keurslijven) waarin we ons bevinden, helemaal geen garantie voor innovatie.   Op het gebied van de creatieve industrie en sociale innovatie verandert er in onze tijd juist weinig tot niets. Opdrachtnemers (consultants en andere kleine freelancers) zijn gebonden aan de financiële middelen én de opvattingen van de opdrachtgever. Ze hebben geen gewicht, geen invloed, geen onafhankelijke positie van waaruit ze kritisch naar bestaande systemen kunnen kijken.  Absolute artistieke autonomie, in de Romantische zin, bestaat natuurlijk niet. De functie van autonomie moet af en toe worden geherdefinieerd, hij verhoudt zich altijd tot zijn tijd. Misschien kunnen we autonomie echter wel definiëren ten opzichte van ondernemerschap. Creativiteit en ondernemerschap gaan vaak niet samen. Je moet je juist kunnen afzonderen van het ondernemen, de markt, de mode, om echt creatief te zijn. Ik noem autonomie liever ‘performatieve koppigheid’. Misschien is dat een betere term. Community en openbaarheid The problem is that the neoliberal hatred for the public sphere finds its unintended support network in the communities of activists and ‘change makers’ and their rejection of ‘traditional’ politics. S.O.: Het gemeenschappelijke, de common, wordt vaak begrepen als iets dat zich net onder de maatschappelijke structuur bevindt, als een organische vorm van samenleven die we op dit moment niet hebben maar waar we in zekere zin naar terug verlangen. Kleine (leef)eenheden zouden uit elkaar zijn gevallen vanwege de groeiende complexiteit van de samenleving. Door middel van digitale technologie zou het mogelijk zijn om die magische commons weer te doen verschijnen. Het technologische denken is echter een soort wensdenken: er zal een omslagpunt komen, een revolutie. Maar zo zit de maatschappij niet in elkaar. Die is afhankelijk van grote beslissingen, en daar hebben we de politiek voor nodig.  J.S.: Ik heb het idee dat het aansturen op de ‘participatiemaatschappij’ een soort zwaktebod is van de politiek. S.O.: Ja, dat is een argument van de liberalen. Door elkaar te helpen, dingen in eigen beheer uit te voeren, krijgen we een mooiere samenleving volgens hen. Maar als we teruggeworpen worden op onszelf, dan zijn we niet meer beschermd tegen de kracht van de markt, die vervolgens overal instroomt.   Wat ik probeer over te brengen is het belang van openbaarheid. Dat is abstracter dan de common, het gaat over een gevoel van rechtvaardigheid, over solidair zijn met anderen zonder een band met hen te hebben, via openbare instanties. We hebben abstracte solidariteit nodig (zoals bijvoorbeeld het ziekenfonds en degelijk onderwijs) want de problemen waar we mee te maken hebben zijn te groot om op te lossen binnen kleine gemeenschappen. Sommige problemen zijn zelfs zodanig groot dat we ze niet eens als natiestaat kunnen oplossen. Het magisch denken over gemeenschappen is gewoon te zwak. Communities zullen nooit de politieke kracht ontvouwen die nodig is om de maatschappij een andere kant op te sturen.  Sebastian Olma In Defence of Serendipity: For a Radical Politics of Innovation, Repeater, Londen, 2016.  
Issue #013 Published: 21-06-2017 // Written by: Jacob Kollar
Ultra in the 80s: A Real Amsterdam Thing
Ultra was an eighties music-movement experimenting with post-punk and no-wave. Ultra stood for Ultramodern and an approach to music culture that mixed post-punk ideology and anti-commercial attitude while borrowing from the no-wave style; making use of atonal sounds, being experimental with instruments - self built drums, cheap synthesisers etc. - and over-emphasising the clichés inherent to rock/pop. According to long-time Paradiso promoter Ronald Linger Ultra had a special status within Amsterdam’s music scene of the 1980s: “We were just doing whatever was going on in England, just a bit later. But, there was the Oktopus (youth centre) on the Keizersgracht, they were doing this thing called Ultra. Now that was a real Amsterdam thing. There were guys like the Young Lions and Minny Pops, they were experimenting with all kinds of instruments.” Ronald’s comment was somewhat perplexing. In a city renown for it’s counter-culture and creativity - particularly at that juncture of time, it seemed odd that something considered a uniquely Dutch approach to music would be somewhat hidden in the background of the city’s creative history.  Harold Schellinx, who was a member of the Ultra-band Young Lions, has documented the history of this Dutch music phenomenon - most notably in his book, Ultra: Opkomst en ondergang van de Ultramodernen, een unieke Nederlandse muziekstroming. Despite having moved to Paris many years ago, Harold still regularly takes time out to communicate what was going on during the Ultra years. In a phone conversation from his home, he summarised the scene as the Dutch expressing post-punk in their own new way, and it was just a bigger part of what was going on in the world. “Why was it Dutch? It was the attitude,” he said. Harold compared Ultra to the Art-Rock and No-Wave scenes in New York and London by saying, in those places, the scene didn’t carry the same political edge, and it was this political edge that made what happened in Amsterdam unique. “It was tied to the squatting movement,” he said, pointing out the ideologies that existed within the movement were inherent in the scene. Squatting was a big part of what made it all possible. However, “It wasn’t just ideological - some people were in it just for the experimentation.” The squatting scene provided an infrastructure for it. “We didn’t need to worry about money, so we could experiment.” As he explained, you could set up in an abandoned building, and if no one came, it didn’t matter because “money was never an issue, we didn’t think about it.” Despite the abundance of space that was available for artists to experiment in, it was the Oktopus that became the key to helping all that would spawn from the scene. “It wasn’t really for people like us, but we talked our way in.” This was important because it opened the door for the ultra-scene to grow beyond being simply about musical performances. Infact, the weekly Ultra nights only ran for 6 months - from September 1980 to April 1981 - before moving on. Harold explained the Oktopus gave the people involved chances to experiment in other media. The centre was not only a podium, but it also housed a recording studio, had audio-visual equipment, a dark room and gave space for creativity in general. Harold admitted, they were really lucky to have access to all the equipment that was available. Harold explained the Ultra shows at the Oktopus were usually filmed, but joked, “you won’t find much of that around, they were just filmed over on the same tape again the next week.” The space availed for creativity also spawned a significant music journal called Vinyl, which was an alternative to the mainstream music media of the time. On top of that, many of the people involved with Ultra and the Oktopus went on to become other kinds of artists, writers and journalists. The fact that Ultra remained largely under the radar of Dutch mainstream media may have had something to do with the conservative Dutch attitude towards new things at the time. Harold said it took the London based New Music Express (NME) to report on it before it got into the mainstream Dutch media. Like Ronald, Harold suggested the mainstream media focused on what was happening in other cultural hotspots - like London and New York. Therefore it required recognition from one of those ‘authorities’ for it to have the thumbs-up to be accepted nationally. Ultra, as a live scene, probably ended with the last edition of Vinyl that was printed in 1988. However, many of the musicians had already moved on by that time. A number of the performers did continue to play regularly, and others evolved to perform in other experimental capacities. Essentially, the people within the Ultra scene took advantage of the unique time and place they found themselves in. They used what was in front of them locally to extend ideas that were being experimented with internationally. In this way, they found a way to turn the “real Amsterdam thing” into a unique chapter of Dutch creative expression.
Issue #013 Published: 19-06-2017 // Written by: Nicholas Burman
Algorithm Art
Computational creativity is a multidisciplinary practice that embraces the role that machines and algorithms can have in the artistic process. Amsterdam’s creative scene has a history of utilising both the developments in engineering and the philosophical aspects to these futurist innovations; Remko Scha’s Institute of Artifical Art being the prime example. Currently, Rietveld alumni Omri Bigetz is working with algorithms and a 3D printer to add another string to the city’s bow in regards to adopting advanced approaches to art. ‘Algorithmic art’, art that is produced via algorithms, dates back to the early 60s. The brainchild of the German programming pioneer Konrad Zuse, the ‘Graphomat Z64’ was originally intended as a machine to draw maps but was adopted by Frieder Nake, who produced abstract images, and other trailblazers in this arena. Nake and others were exhibited at the 11th Sonic Acts festival in 2006. One time monk and renowned American computer artist Roman Verostko wrote about seeing algorithms in art as representing artistic procedures, noting specifically that “those who create these algorithms are artists.” More recently, Google garnered attention with the presentation of their DeepDream software, an artificial neural network that reprocesses images into hallucinogenic visions. Tel Aviv born Bigetz started out in photography, although felt dismayed over purists’ complaints of digital interference in the results. Feeling that the camera is already an instrument for (mass) producing manufactured images, especially in a world of digital smartphone lenses, he decided to move towards the totally ‘fabricated’, although still retain the physicality of paper. His work can be seen as a natural extension of machine manipulation, just with a keener eye to the future. Bigetz designs 3D images and, in collaboration with programmers from around the world, develops algorithms which recalibrate his designs into something a robotic arm can draw onto paper. The results are very different to simply printing a screenshot of a digital design. The variants of the tool used (pen being the most common), and the varying success of the algorithms translating the 3D composition, mean the results have a traditional ‘organic’ quality. These sorts of mistakes in algorithm art have been described as ‘glitch art’, however, for the machine these are not glitches, they are just different results to what the artist was expecting. While his designs are limited to what computers and his practical skills are capable of, the results are never the same (this applies to retries based on the same algorithm as well). The futuristic process apes the science fiction aesthetic apparent in the pieces, and also makes the previously impossible possible. For example, an image of interlocking heads was drawn with one, 500 metre pen stroke. The works themselves are illustrative and particularly reminiscent of something you might find in a graphic novel.  Since those early trials with the Z64, from 1960s conceptual abstraction to identity-driven hyperrealistic renderings today, how artists utilise machines highlights how their generation sees the physical world. With algorithms an ever more prominent underpinning of contemporary experience, how likely is it that we’ll be celebrating programmers as great artists in the (near) future? Image: Omri Bigetz
Issue #013 Published: 16-06-2017 // Written by: Jeroen Loeffen
Marxisme Festival geeft hoop op een nieuw links
Op 13 en 14 mei organiseerden de Internationale Socialisten het jaarlijkse Marxisme Festival in CREA in Amsterdam. Het was een inspirerend weekend vol radicale politiek, theorie en discussie. Het thema was dit jaar ‘Tijd van monsters – tijd voor verzet!’. Een vrije vertaling van Antonio Gramsci’s uitspraak ‘De crisis bestaat uit het feit dat het oude stervende is, maar het nieuwe nog niet geboren kan worden, in deze tussenfase ontstaat een grote verscheidenheid aan morbide symptomen.’ Tijd van monsters verwijst naar de huidige toestand in de wereld: de verkiezing van Trump in de Verenigde Staten, de winst van Wilders en Rutte bij de Nederlandse verkiezingen en de opkomst van extreem-rechts in de rest van Europa.  Daarnaast zijn echter ook kiemen zichtbaar van een opkomend verzet, zoals de massale Women’s March na de inauguratie van Trump, de Climate March en Kick out Zwarte Piet. Het Marxisme Festival is de laatste jaren uitgegroeid tot hét trefpunt in Nederland om dit verzet vorm te geven en strijdterreinen met elkaar te verbinden.  De opkomst was met meer dan 240 deelnemers hoger dan vorig jaar, wat erop wijst dat steeds meer activisten het festival weten te vinden. Met verschillende parallelle bijeenkomsten bood het festival een rijk aanbod aan lezingen, discussies en workshops. Daarnaast was er in de boekwinkel van Leeslinks voor de liefhebbers een rijk en gevarieerd aanbod aan nieuwe en tweedehands literatuur. Er was gratis kinderopvang georganiseerd voor activistische ouders. Op zaterdag werd voor een heerlijke veganistische maaltijd gezorgd.  Antiracisme en feminisme Veel aandacht ging tijdens het festival uit naar de vraag hoe de opkomst van extreem-rechts te stoppen. Sadet Karabulut (SP) en Ewout van den Berg (Internationale Socialisten) gingen in debat over de vraag wat voor soort links hiervoor nodig is. Ze wezen op het belang van het combineren van anti-racisme met het stoppen van het afbraakbeleid van de huidige regering.  Eén van de bijeenkomsten die er verder uit sprong was de bijeenkomst van antropologe Miriyam Aouragh over de beperkingen van de privilegetheorie. Door de link te leggen tussen de jaren 80 en nu, liet Aouragh zien dat er een verband bestaat tussen de opkomst van de privilegetheorie en het defaitisme van links. Ze toont aan de hand van zwarte denkers van de laatste dertig jaar dat privilegetheorie als analytisch begrip een meerwaarde kan hebben, maar ook belemmerend kan werken bij de opbouw van een organisatie. Ook was er dit jaar veel aandacht voor feminisme. Anja Meulenbelt (Artikel 1) sprak over socialistisch feminisme. Een ander inspirerend moment was de bijeenkomst over ‘vrouwen in de frontlinie’. Hier spraken Antoinette van Peperstraaten van Feminist Club, Berna Toprak van Women Inc en Hella Baan van Internationale Socialisten over hun strijd. Er volgde een discussie over feminisme en religie en over inclusief feminisme. Dat de bijeenkomst werd verstoord door een extreem-rechtse trol laat precies zien hoe urgent die strijd is.  Internationaal Verder was op het festival aandacht voor internationale politiek. Een van de sprekers dit jaar was Awad Abdel Fattah. Een Palestijnse politicus uit Palestina 48 (Israël), die al jaren actief is binnen de Nationale Democratische Assemblee (Balad). Hij sprak over de positie van Palestijnen in Israël en pleitte naar voorbeeld van Zuid-Afrika voor een éénstaatoplossing.  Max van Lingen (Internationale Socialisten) besprak de actuele situatie in Syrië. Sebastian Proos (Rood, jong in de SP) en Rosanne Beentjes (Internationale Socialisten) riepen op tot deelname aan de protesten tegen de G20 in Hamburg. Anne Fleur Dekker (Internationale Socialisten) sprak over de mythe van groen kapitalisme en de noodzaak om milieu-activisme te combineren met antikapitalisme.  Een luchtige toets werd aangebracht door Dan Hassler-Forest (universitair docent media- en cultuurwetenschappen) die een lezing gaf over het verzet tegen Trump aan de hand van vele voorbeelden uit de populaire cultuur. Theorie Socialistische theorie en geschiedenis kwamen in verschillende bijeenkomsten aan bod. Vragen die centraal stonden waren onder andere: waarom zou je Het Kapitaal van Karl Marx moeten lezen? En wat kunnen we leren van de opkomst van het fascisme in de jaren 20 en 30 en antifascistisch verzet?  De relevantie van het gedachtengoed van revolutionairen uit het verleden zoals Che Guevara en Antonio Gramsci werd ook besproken. Verder werd stilgestaan bij het 100-jarige jubilieum van de Russische Revolutie. Heinz Mölders (Multiloog project) verzorgde een workshop over marxisme en psychologie.  Tot slot was er aandacht voor de opkomst van het kapitalisme. Pepijn Brandon (universitair docent VU) ging in op de zogenaamde ‘Gouden eeuw’ in Nederland. Hij laat zien dat het geweld dat de Nederlandse staat gebruikte tijdens de gouden eeuw geen toevalligheid was, maar juist inherent onderdeel van de opkomst van het kapitalisme.  Hoogtepunt Een van de hoogtepunten van het festival was het groepsgesprek tussen Sylvana Simons (Artikel 1), Anousha Nzume (actrice en schrijfster van het boek Hallo witte mensen) en Peyman Jafari (politicoloog UvA) over de strijd tegen racisme. Dyab Abou Jahjah moest helaas op het laatste moment afzeggen, maar Anousha Nzume maakte dit als vervangster meer dan goed.  Aan de hand van persoonlijke anekdotes vertelden deze dappere vrouwen over hun dagelijkse strijd tegen racisme. Indrukwekkend was Simons’ verhaal over de rechtszaak tegen haar beledigers en het feit dat géén van de mannen het lef had haar aan te kijken. Nzume vertelde onder andere hoe de ervaringen die zij had op de zwarte school waar zij werkte haar deden beseffen dat racisme en klasse met elkaar verbonden zijn.  Tijdens de vragenronde werd door mensen van verschillende organisaties over en weer de hand uitgereikt en opgeroepen om samen te werken. Tijdens de slotrally werd uit solidariteit met de Palestijnse hongerstakers de salt water challenge gedaan. Activisten van verschillende strijdterreinen kwamen nog een keer bij elkaar en het pleidooi voor samenwerking werd nog eens herhaald.  In deze tijd van monsters is het meer dan ooit nodig om een verenigd links front te vormen. Tijdens het marxisme festival zijn hier stappen in gezet. Het biedt hoop op een toekomst waarin een nieuw, sterk en inclusief links mogelijk is.   Het Marxisme Festival was dit jaar beter bezocht dan voorgaande jaren. Elmar van den Berg sprak enkele nieuwe bezoekers.  Een student was via de website van de Internationale Socialisten bij het Marxisme Festival gekomen: ‘’Ik lees veel opinie en probeer zo het nieuws te volgen, daarom volg ik ook de Internationale Socialisten. Toen ik zag dat grote namen zoals Sylvana Simons (en Abou Jahjah) zouden komen heb ik een kaartje gekocht.’’ Hij zet zich af tegen consumentisme en onderstreept de noodzaak voor een nieuw economisch denken: ‘’Er moet meer gekeken worden naar de behoefte van mensen en de diensten die deze behoefte vervullen, in plaats van een productie gericht op oneindige groei op een eindige planeet.’’ Wat deze bezoeker mee naar huis neemt na het bezoeken van het festival is vooral de noodzaak van een brede linkse beweging: ‘’We moeten niet te veel struikelen over kleine meningsverschillen maar mensen moeten wel weer politiek actief worden in Nederland. De stille meerderheid moet ervan overtuigt raken dat er een beter alternatief is dan het extreme midden.’’ Ghizlan, studente Engelse literatuur en geschiedenis, was vooral naar het Marxisme Festival gekomen om de meetings van Miriyam Aouragh over white privilege en de opstand in de Rif bij te wonen. ‘’Het waren sterke meetings waarin er een goede balans werd gevonden tussen theorie en praktijk’’, licht ze toe. ‘’Het is ook fijn dat er na de inleiding van de spreker altijd ruimte is voor discussie. Zo vonden er verhitte discussies plaats bij de meeting over Palestina en de meeting over Syrië, het is goed dat daar ruimte voor is.’’ Verder viel Ghizlan op dat er een divers publiek aanwezig was op het Marxisme Festival: ‘’Ik ben zelf geen activist. Toch was het een open festival waar ook ik mij thuis voelde. Van tevoren dacht ik dat er alleen maar studenten zouden zijn, maar er waren juist allerlei verschillende mensen van verschillende beroepen en stromingen. Tijdens de slotrally sprak er zelfs iemand van het Platform voor Gehandicapten Zuid-Oost!’’  Een andere bezoekster, Paula, bezocht het Marxisme Festival om meer te leren over Marxisme. ‘’Ik ga altijd al naar veel politieke debatten, maar die gaan vooral over identiteitspolitiek. Dus de lezing over Gramsci was een leuke afwisseling van wat ik normaal hoor.’’ Zo nu en dan een Marxistische analyse is ook nodig vindt ze: ‘’Alhoewel ik het niet eens ben met een economische analyse van alle problemen is een concept als klasse wel relevant. We leven in een kapitalistische samenleving, dus kritiek op bestaande instituties bekritiseert vanzelf ook het kapitalisme. Daarnaast is het bij zaken als klimaatverandering en inkomensverschillen altijd nuttig om socialistische kritiek te uiten.’’   Tycho, afgestudeerd in commerciële economie en werkzoekende, was vanuit Rotterdam naar CREA afgereisd voor het Marxisme Festival. Tijdens en na zijn studie werd hij onder andere door het doen van vrijwilligerswerk steeds maatschappelijker betrokken. Zodoende heeft hij zich ook verdiept in het Marxisme. ‘’Ik merk wel dat ik nog beginnend ben in het Marxistische gedachtengoed, de lezingen waren echter toegankelijk genoeg zodat ik het ook allemaal kon volgen. De bijdrages uit het publiek kwamen vanuit verschillende perspectieven. Hierdoor kreeg iedereen op het festival een breed beeld van wat er speelt op links. Een pluspunt voor het festival vond ik dan ook de variatie aan sprekers en bezoekers’’ Tycho kwam naar het festival om meer te leren over het Marxisme en bezocht dus ook boekenwinkel LeesLinks: ‘’Ik heb zes boeken gekocht. Wat me wel opviel is dat er veel werken van Trotski waren, er zijn ook nog andere Marxistische denkers!’’ Photo’s: Nenad Mećava
Issue #013 Published: 13-06-2017 // Written by: Code Rood
Code Rood
Code Rood is a grass roots network that is calling for mass civil disobedience in order to confront the fossil fuel industry. On the 24th of June we will draw a red line against climate change in the port of Amsterdam, the largest gasoline harbour in the world and 2nd largest coal harbour in Europe, after Rotterdam. This day will mark the second anniversary of the Urgenda Climate Case in the Netherlands, in which a judge ruled that the government was taking insufficient action against climate change. Rather than acting on this, the Dutch government decided to appeal the historic verdict.  The climate is already visibly changing and politicians allow for continued record breaking greenhouse gas emissions. We are building a militant climate movement that makes a switch from mass protest to mass disobedience. We are calling for everybody to join us in this collective struggle. When we join forces we can break the power of the fossil fuel industry! Interview with Ricardo, a climate justice activist who helped occupy Vitol’s gasoline terminal in April and who is also involved in Code Rood.  What is Code Rood and how did it come about? Code Rood is a group of people that come together as individuals from across the political spectrum that are convinced it is time for the climate movement to make the step towards mass disobedience. It is grassroots and horizontally organized and all the major decisions have been taken during action conferences through plenary discussions. Much of its inspiration can be said to come from the open-cast lignite-mine occupations of Ende Gelände in East-Germany of the last years. Over 150 from the Netherlands participated in the Ende Gelände action last year, so when we came back to the Netherlands we figured that there is momentum to bring similar mass disobedience actions to the Netherlands.  And why do you think people need to start disobeying? I think it is quite clear that we cannot leave it to the authorities and the corporations. If we want to prevent the worst climate catastrophes from happening we have to take drastic action now. But when we look at what the powerful have been doing and the result of two decades of climate summits like Copenhagen and Paris, it is clear that change is not coming from them. There is absolutely no ethical justification for continuing burning more coal. And still, more coal has been burned today than yesterday. And also in the Netherlands, look at how the previous government reacted to the Urgenda case and how CO2 emissions last year hit at a record high.  But why would you need to break the law you ask? Well, I do agree that there are various ways of doing things and I certainly do not know the definite answer on how to achieve social change. I do think many activities can be complementary, from lobbying politicians to raising awareness and from building our own alternatives (transition towns etc) to industrial sabotage. And what I do know however is that we have to start to come together. Individuals alone can’t stop climate change. It can’t be done through consumers’ choice. Recycling is not enough. If you think recycling or commodity activism is enough, you are underestimating the problem. One of the more harmful things that happened to environmental movement was convincing people that their personal consumer choices will make enough of an impact.  } So you think a one-day action on the 24th of June will help? Hah, yes. It will stop business-as-usual for a day. But I think you have to understand that lowering CO2 emissions for a day just in itself is not the important part. Personally I do not think you should see the 24th of June as the end of all actions. I think we have to adapt a long-term perspective. We have to grow. You won’t have thousands of people join out of nothing. This is hopefully not going to be the last Code Rood action. Perhaps one day we can shut down the entire Maasvlakte, but we have grow the movement first and get new people involved. I think there is a lot of symbolic power in direct action as well. In daily life, as individuals we feel powerless and isolated, but through collective action we regain control, find out that we are not alone and that we don’t just have to accept all that is coming at us. Finally, why Amsterdam? People think of Amsterdam as this progressive and green city with its parks and bicycles. But we want to expose Amsterdam’s dirty secret. Amsterdam is Europe’s second largest coal port and the world’s biggest gasoline port. Over 75% of all trade is related to fossil fuel. Much of the coal that is violently extracted from regions in Russia and Colombia, causing local and indigenous communities to be displaced, comes through Amsterdam. And also the ‘dirty diesel’ (gasoline blended with toxic waste) that is dumped in the Global South originates for a large part from Amsterdam. It plays a crucial role as a transport hub for the world’s fossil industry and is therefore a perfect target. ------------------------------------------------------------------------------------- Action & Camp The action takes place on the 24th of June. The type of protest is a sit-in. We will also organize an action camp from the 22nd of June till the 26th of June. At this supporting camp we will be able to prepare and train for the action and get to know each other. On Thursday the 22nd of June at 11:00 AM join us at train station Amsterdam Sloterdijk with your bike and camping gear to help build up the camp!! Everyone can help out in the way they want to! There is no experience required. We have several levels of engagement, from helping with cooking at the camp to (possibly) chaining oneself to fossil fuel infrastructure. Everybody can make a valuable contribution! Join our action training in Amsterdam on Sunday June 11. For more info and registration, go to code-rood.org
Issue #013 Published: 07-06-2017 // Written by: Sebastiaan Olma / S. de Wit
Subcultuur voorbij het Kraakpand Interview ter gelegenheid van Urban Resort’s 10jarig bestaan
In maart 2007 stond een handvol voormalige krakers voor het Volkskrantgebouw, geconfronteerd met de ongekende situatie dat zij het gebouw voor een laag bedrag konden huren om er een nieuw type subcultureel hotspot van te maken. Tien jaar later viert stichting Urban Resort zijn tienjarig bestaan. AA redacteur Sebastian Olma ging met twee van de initiatiefnemers, Jaap Draaisma en Hay Schoolmeesters, in gesprek over de rol van Urban Resort binnen het (sub)culturele leven van Amsterdam. Amsterdam Alternative: Herinneren jullie misschien nog het moment dat jullie voor het Volkskrantgebouw stonden? Wat komt er  in je op als je aan dat moment terugdenkt? Hay Schoolmeesters: Toen we voor dat pand stonden en ik naar boven keek, dacht ik: “Wat is dit?” “Wat moeten wij nu hier?” Ik had een achtergrond met de ADM, rauwe hallen en gebouwen, en wilde grote kraakpanden, maar geen kantoorpanden. Het Volkskrantgebouw was dat wel en zag er, in tegenstelling tot wat ik gewend was heel netjes uit. Voor mij drong gelijk de vraag op: Hoe passen de mensen die wij een plek willen geven in dit gebouw? En passen niet alleen in de figuurlijke zin, ook letterlijk: hoe plaats je een kunstenaar die monumentaal of ambachtelijk werk maakt in een gebouw dat is ingedeeld in kleine hokjes? Hoe schep je een bepaald gevoel van vrijheid ? Op dat moment dacht ik overtuigd  “dit gaan we niet doen”.  Jaap Draaisma: Ik had het gevoel dat er een gebouw moest komen dat opviel. Daarom was het Volkskrantgebouw een goede keuze, het is een gebouw van rond de 10.000 vierkante meter en het heeft de naam van een bekende nationale krant erop. Voor mij was dat de manier om onszelf neer te zetten, om gelijk bekendheid te krijgen, anders wordt je als organisatie gewoon één van de duizend clubjes. En mijn ambities waren groter dan dat. Tja, het was wel een kantoorgebouw, ik had zelf ook liever iets ruigers gehad, maar het voldeed aan de eisen en we hoefden er bijna niets te verbouwen; het gebouw was al opgedeeld in allemaal kleine kantoortjes, en dat was precies wat we nodig hadden om een broedplaats te vormen.  AA: Ok, tien jaar verder beheren jullie nu 14 gebouwen, zo’n 30.000 vierkante meters en hoeveel huurders? HS: Urban Resort heeft in totaal 1100 huurders in de gebouwen, waarvan 600 hoofdhuurders. AA: Als je nu terugdenkt, wat zijn dan de dingen waarvan je toen dacht, dit wil ik bereiken? Hiermee wil ik laten zien wat deze plek kan? HS: Ik besefte goed dat er een enorme vraag naar goedkope ruimte was in Amsterdam. En heel globaal gezegd, daar wilde ik wat aan doen: mensen die geen werkplek kunnen betalen omdat het te duur is en met die mensen iets moois opzetten. JD: Nou dat vind ik een beetje “Leger des Heils”-achtig, een beetje van ‘zielige mensen helpen’. Het gaat toch niet alleen om mensen helpen? Ik bedoel die vraag is er, maar je bent niet een of ander handelsmannetje dat alleen die vraag wil beantwoorden toch? Je hebt een diepere reden. HS: Ja natuurlijk, maar die vraag en daar iets aan willen doen geeft het zakelijk bestaansrecht om iets op te zetten. Daarnaast is het belangrijk om het gedachtengoed en de ideologie die we uit de kraakwereld hebben meegenomen, neer te zetten door middel van levendige gebouwen in een officiëlere wereld en bij een grote groep mensen.  AA: En wat is dat gedachtengoed van de kraakwereld dan precies? JD: Het werd vanaf de jaren ’00 moeilijker om te kraken, niet per se omdat er minder panden waren. Maar omdat de politiek een stuk rechtser was geworden. En er dreigde een kraakverbod te komen. Bovendien werd de aversie tegen kraken groter onder de bevolking. Dit ging gepaard met een ideologie van bezit, zonder collectiviteit, zonder het ideaal dat het gebruik belangrijker is dan de winst. In deze verslechtering van het politieke klimaat werd het onmogelijk om grote panden te kraken: de kraakgroepen waren te zwak en de grote panden, daar werd je gewoon uitgezet. En voor mij was Urban Resort, de enige manier om het gedachtengoed van de kraakbeweging op een grotere schaal voort te zetten, weliswaar zonder kraakpand, maar met een gehuurd pand. AA: Kraken zonder Kraakpand dus. En hoe liep dit van stapel? JD: De eerste stap was: hoe gaan we die gebouw invullen? Zijn er genoeg mensen die mee willen doen? En gaan deze mensen dan inderdaad met ons gedachtengoed verder? We wilden dat ze normen als, collectiviteit, solidariteit, hulp, autonomie etc. verder zouden blijven ‘beoefenen’. We deden dat door huurders zelf verantwoordelijk te stellen voor hun eigen verdieping. Wij stimuleerden dat ze bijvoorbeeld iedere maand een cultureel feest organiseren, en hoopten dat ze ook verantwoordelijkheid namen voor het financiële deel van het runnen van een broedplaats. Die feesten die kwamen er wel iedere maand, dat was super leuk het eerste jaar. Maar de betrokkenheid bij  het runnen van het pand viel best wel tegen.  AA: OK, jullie wilden dus het stokje overdragen aan de huurders. JD: Ja we wilden autonome centra creëren. Net als dat kraakpanden autonome centra waren.  AA: Maar konden de mensen niet zelf iets zoeken en kraken? Er waren destijds toch nog best een aantal kraakpanden in Amsterdam. HS: Ja, en je kon nog wel een pandje kraken ergens. Maar na het kraakverbod in 2010 was het niet meer zo makkelijk om een groot pand van 10.000 vierkante meter te kraken. Tegelijkertijd werden ons in die tijd hele grote gebouwen aangeboden voor relatief weinig huur. Dat zagen wij als een kans om door middel van huur/verhuur toch het gedachtengoed van de kraken voort te zetten en reuring in de stad te brengen. AA: Dus als ik het goed begrijp, wilden jullie aan de jonge generatie laten zien hoe dat werkt met het autonoom organiseren van een pand, om ze vervolgens aan te sporen het zelf te gaan doen. Maar dat juist bij het ‘autonoom maken’ het fout ging. JD: Autonomie kwam dus niet echt van de grond. Toen hebben we besloten om de organisatie dan zelf maar te doen. En dan uiteraard wel op een manier die aansluit bij onze normen en waarden. Vanaf dat moment hebben we zelf een sterke zakelijke organisatie willen opzetten.  HS: Met al deze stappen veranderden we langzamerhand in een bedrijf, maar wel vanuit de politieke en culturele achtergrond die we meedragen, daarmee bedoel ik kritische opvattingen over de maatschappij die we nu nog nastreven en steeds aanpassen aan het nu. AA: Als je in een paar worden zou moeten samenvatten hoe Urban Resort nu opgebouwd is, hoe zou je die constructie dan beschrijven? JD: Wij zijn een ideëel bedrijf, een stichting. Met als hoofddoel goedkope ruimten te verhuren en het subculturele klimaat, de experimentele ruimte in Amsterdam te vergroten. Het is een goed geolied bedrijf met expertise, professionaliteit wat in de commerciële wereld respect afdwingt. Maar goed, dat bedrijf is het middel, dat middel moet goed zijn: daar hebben we tien jaar aan bloed, zweet en tranen in gestopt. Echter, waar je het voor doet is voor mij de subcultuur die in het pand leeft. Dat opstandige leven.  AA: En in hoeverre is het gelukt om ruimte te creëren voor de subcultuur in een stad die in de afgelopen tien jaar cultureel vooral gladder en saaier is geworden? JD: Dat zie ik op verschillende terreinen. Bijvoorbeeld op het gebied van muziek, waar Amsterdam een enorm platform heeft dat maatschappijkritisch is, allemaal mensen en collectieven die het grote geld niet achterna lopen. Neem DJ Tom Trago. Toen we het Volkskrantgebouw twee jaar geleden overdroegen aan het Volkshotel, toen dachten we: “nu begint die jongen voor zichzelf”. Maar hij bleek precies dezelfde idealen te hebben als wij. En voor die idealen gaat hij, omdat hij dat belangrijker vindt dat de economische belangen; de hebzucht en de winst. Als die boodschap overkomt, dan ben ik hartstikke blij. HS: De politiek die je wil bekritiseren kun je ook zoeken in de culturele kant. Bijvoorbeeld vormgevers die wars van de tradities en gewoontes compleet andere kunst maken en die op die manier dat vormgeverswereldje weer opschudden. Dat vind ik net zo interessant: het roept een discussie op. Of dit dan per se door onze plek komt, dat kun je niet met zekerheid zeggen, maar die plek die stimuleert mensen wel. Je ziet ze terugkomen in de danswereld, de muziekwereld etc.: Allemaal jonge makers die in hun artistieke expressie iets van protest hebben zitten, iets tegen het gangbare of reguliere.  JD: Maar het geeft ook spanning hoor, want heel veel van die vernieuwing in de culturele en creatieve sector wordt natuurlijk gretig omarmt door commerciële bedrijven. Als artiesten aandacht en aanbod krijgen van bekende commerciële bedrijven, dan gun je ze die aandacht in de eerste instantie natuurlijk. Dat is erkenning krijgen voor je werk als kunstenaar. Maar het politieke deel van hun werk, kan natuurlijk heel makkelijk opgezogen worden door die commerciële wereld van het grote geld. Dan ben je dus met je werk gewoon die belachelijke kapitalistische machine aan het voeden. Omdat die kunstenaars en artiesten bij ons vandaan komen, ons als platform hebben gebruikt dragen wij als collectief ook bij aan die kapitalistische machine. Maar ja, we kunnen de huurders natuurlijk niet verbieden om te werken voor grote bedrijven.  AA: Is deze vorm van onvrijwillige compliciteit dan een grote verrassing? Of hadden jullie dit ergens al verwacht? Hoe gaan jullie hier mee om? HS: Dit probleem houd mij op het moment erg bezig. Deze fase van ons bedrijf zie ik als een ‘kantelpunt’: we hebben hard gewerkt om eerst maar eens een aantal projecten te laten slagen. Nu hebben we voldoende massa, gebouwen, mensen en organisatie om een plek te veroveren in de wereld van de ‘grote jongens’. In de tussentijd moesten we er wel voor zorgen dat we niet onze politieke boodschap verloren. En tegelijkertijd moeten we nu manieren verzinnen om onze panden zoveel mogelijk te beschermen tegen commerciële doeleinden bij afloop van contracten. Hoe we dat gaan doen, daar heb ik ideeën over en mijn collega’s ook, maar de precieze koers staat nog niet vast. JD: In mijn ogen zijn er twee aspecten die we nodig hebben om het probleem onder controle te houden. Ten eerste: We leven nu eenmaal in een kapitalistische samenleving, dus je zal altijd moeten blijven werken om in een zo min mogelijk kapitalistische positie te komen. Ten tweede, onze huurders moeten dat snappen en zelf ook bijdragen aan deze positie. Dat maatschappijkritische kunnen wij wel stimuleren, maar dat ideaal moeten de mensen wel aangrijpen en eigen maken.  HS: Wij scheppen daar wel de belangrijkste voorwaarde voor, namelijk betaalbare ruimte. Als die er niet is dan doe je niks.  Als laatste vraag: Wat is het mooiste moment en wat is het verschrikkelijkste moment wat jullie hebben meegemaakt. JD: (Lacht) Dat je ook met de duivel deals kunt sluiten… HS: Mooie momenten, daar heb ik er honderden van gehad, piepklein tot heel groot, anders had ik het niet vol kunnen houden. Zo simpel is het. Een van de meest mooie momenten was in het Volkskrantgebouw, daar hebben we samen met de huurders een aantal van die grote TransVormers feesten georganiseerd, gratis voor publiek. Als je dan ziet dat er 1500 tot 2000 mensen tot diep in de nacht in je pand over een aantal verdiepingen rondbanjeren en gelukkig zijn, dat gasten en artiesten vol zich vermaken en zich die avond lang herinneren, dan geniet ik daar van.   JD: Ik heb er een paar. Bijvoorbeeld, binnen een jaar kwamen we op de voorpagina van “Der Spiegel”, dat was eind 2007. We waren volgens hun de meest coole stad in Europa. En een jaar later de New York Times, die vond vooral de Wibautstraat, met name ons Volkskrant gebouw, heel ruig, wild en nieuw. Dat soort momenten, daar krijg je natuurlijk een ontzettende kik van. En ook die momenten dat je bijna kapot gaat maar dat je het toch nog weet recht te trekken. Bij het Volkskrant gebouw stonden we tonnen in het rood en we betaalden ons scheel aan gas, water, licht. Op een gegeven moment kregen we alles toch weer op de rails. En inhoudelijk mooie momenten, veel, heel veel. Ook het clubleven. Ik draai sinds eind jaren 80 plaatjes, kortom, ik hou wel van de nacht. Wat je zag is dat ongeveer van 1995 tot en met de eerste jaren nul de club scene van Amsterdam helemaal naar de klote was. En ongeveer vanaf de midden jaren nul, ook met Canvas en Radion, hebben we bijgedragen aan de groei van de niet-commerciële Amsterdamse club scene. En dat vind ik super.  AA: Hartelijk dank voor het gesprek! Aankondiging evenement in de Lely  9 en 10 juni Urban Culture Days ter viering van 10 jaar Urban Resort en de opening van broedplaats Lely. Met op 9 juni o.a. de Urban Talk; debat over cultuur in broedplaagsen en de toekomst van broedplaatsen. En op 10 juni theater, dans, muziek, poetry, markt, performances, exposities, installaties en meer. Toegang gratis.  ​In de Lely – Schipluidenlaan 12 (naast Station Lelylaan). Facebook event >>> Website Urban resort >>>
Issue #012 Published: 02-06-2017 // Written by: Guy Debord (1967)
Found words #01
165 – CAPITALIST PRODUCTION has unified space, breaking down the boundaries between one society and the next. This unification is at the same time an extensive and intensive process of banalisation. Just as the accumulation of commodities mass-produced for the abstract space of the market shattered all regional and legal barriers and all the Medieval guild restrictions that maintained the quality of craft production, it also undermined the autonomy and quality of places. This homogenizing power is the heavy artillery that has battered down all the walls of China. 166 – THE FREE space of commodities is constantly being altered and redesigned in order to become ever more identical to itself, to get as close as possible to motionless monotony. 167 – WHILE ELIMINATING geographical distance, this society produces a new internal distance in the form of spectacular separation. 168 – TOURISM – HUMAN circulation packaged for consumption, a by-product of the circulation of commodities – is the opportunity to go and see what has been banalised. The economic organisation of travel to different places already guarantees their equivalence. The modernization that has eliminated the time involved in travel has simultaneously eliminated any real space from it.  169 – THE SOCIETY that reshapes its entire surroundings has evolved its own special technique for moulding its own territory, which constitutes the material underpinning of all the facets of this project. Urbanism – ‘city planning’ – is capitalism’s method for taking over the natural and human environment. Following its logical development toward total domination, capitalism now can and must refashion the totality of space into its own particular décor.  170 – THE CAPITALIST need that is satisfied by urbanism’s conspicuous petrification of life can be described in Hegelian terms as a total predominance of a ‘peaceful coexistence within space’ over the ‘restless becoming that takes place in the progression of time.’ 171 – WHILE ALL THE technical forces of capitalism contribute toward various forms of separation, urbanism provides the material foundation for those forces and prepares the ground for their deployment. It is the very technology of separation.  172 – URBANISM is the modern method for solving the ongoing problem of safeguarding class power by atomising the workers who have been dangerously brought together by the conditions of urban production. The constant struggle that has had to be waged against anything that might lead to such coming together has found urbanism its most effective field of operation. The efforts of all the established powers since the French Revolution to increase the means of maintaining law and order in the streets have finally culminated in the suppression of the street itself. Describing what he terms ‘a one-way system,’ Lewis Mumford points out that ‘with the present means of long-distance mass communication, sprawling isolation has proved an even more effective method of keeping a population under control’ (The City in History). But the general trend towards isolation, which is the underlying essence of urbanism, must also include a controlled reintegration of the workers based on the planned needs of production and consumption. This reintegration into the system means bringing isolated individuals together as isolated individuals. Factories, cultural centres, tourist resorts and housing developments are specifically designed to foster this type of pseudo-community. The same collective isolation prevails even within the family cell, where the omnipresent receivers of spectacular messages fill the isolation with the ruling images – images that derive their full power precisely form that isolation.  From The Society of the Spectacle, Guy Debord, 1967. (No copyright) Image: Anton Weflo
Issue #012 Published: 01-06-2017 // Written by: Okkie
De OCCII zoekt een Rock & Roll type die goed is met cijf€rs €n b€drag€n
Onafhankelijk Cultureel Centrum In It (OCCII) is ontstaan in 1992 in voormalig kraakpand de Binnenpret. Het gebouw waar vroeger paardentrams werden gestald werd toen verbouwd tot cultuurpodium en heeft zich vanaf die tijd langzaam maar zeker ontwikkeld tot een breed gewaardeerd podium voor live-muziek en kindertheater. De organisatie is in handen van 3 (betaalde) coördinatoren en een grote groep vrijwilligers. Het bestuur van OCCII bestaat op dit moment uit 5 leden, waarvan 1 binnenkort vertrekt. We zijn daarom op zoek naar versterking. De ambitie is om het bestuur te versterken met een goede penningmeester. Wie zoeken we? We zoeken bestuursleden met affiniteit voor (muziek)cultuur en een do-it-yourself mentaliteit. Je weet wat veranderingsprocessen met zich meebrengen en wat er nodig is voor een organisatie in ontwikkeling. Als penningmeester hou je de financiële zaakjes van de organisatie in de gaten. Hoe werken we? Het algemeen bestuur vergadert één keer per twee maanden. In de komende periode kan het gebeuren dat er extra vergaderingen worden ingelast vanwege het veranderingsproces. Wisselend vergaderen bestuursleden daarnaast mee met de algemene vrijwilligers vergadering die 1 keer per maand plaatsvindt. Alle vergaderingen zijn in principe in de avonduren. Bij voorkeur op dinsdag. Als bestuurslid ben je een van de vrijwilligers. Er staat dus geen financiële vergoeding tegenover. Je zult het moeten doen met immateriële voldoening, gratis naar mooie concerten en een paar leuke uitjes. Wie wil reageren? Zin om ons verder te helpen groeien? Neem dan contact op met de voorzitter van het bestuur, Edwin de Jong. Via info@occii.org Meer informatie over de organisatie vind je op onze website www.OCCII.org of je kan contact opnemen met de zakelijke coördinator Hilde Strijker. Zij is aanwezig op maandag, donderdag of vrijdag 020-6717778.  Je kunt ook reageren via admin@occii.org of per brief naar: OCCII, o.v.v. sollicitatie bestuur, Amstelveenseweg 134, 1075 XL Amsterdam
Issue #012 Published: 29-05-2017 // Written by: Massimiliano Sfregola
Vluchtmaat
At number 32 of Joan Muyskenweg, in the middle of a grey industrial area faraway from the tourists and “creative” colours of Amsterdam’s city centre, a unique social experiment is happening in the Vluchtmaat. One side of the building houses members from the movement “We are here”: a group of about forty refugees without residence permits, mainly from Ethiopia and Eritrea. They squatted this building in 2014 in order to have a space to live (the occupation has been legalized since then). The other side of the building hosts several independent professionals such as freelance creatives and social entreperneurs. Among those stands out the group Here to Support, an association that supports the cause of undocumented refugees organizing activities and events to highlight the difficult time faced by those migrants who don’t hold a “status”. “It is important to value the group and make their voice heard,” says Savannah, working full-time for Here to Support. Here to Support is in constant dialogue with the other freelancers and organizations that compose the non-refugee side of the Vluchtmaat and all together, through a real mutual aid policy, turned the space in a productive, politically and socially active environment. Thijs Tennekes is a graphic designer active in one of the work spaces. He was tired of working from home and looking for a studio: “I liked the idea that there was a mutual help: to have a space for me and at the same time helping people who do not have a place to stay,” he says. Despite being one of the newcomers, he was involved in the creation of the logo for Vluchtmaat and interacts with the refugees, helping them if necessary. “Once I accompanied one of the boys to the doctor because no one could do it.” These private initiatives contribute financially to the support of asylum seekers, mitigating the dilemma of their unclear legal status. The  Dutch government has continues to ignore the issue: in 2015, the Rutte government almost collapsed over the question of granting basic human rights to the “uitgeprocedeer” (undocumented) the so called “bbb” (bad, bad en brood) policy. When a green light came, though, the administration of Amsterdam chose a strict enforcement: two years ago decided to offer undocumented migrants temporary-overcrowded dormitories, for the nights only, without  chance of privacy. “Vluchtmaat is the first place where we know we can stay longer,” says one of the Eritrean refugees. At the Vluchtmaat, it seems, they finally found a moment of peace and conviviality where they can get involved in activities and work on their individual case. The asylum seekers of We are Here are also busy setting a media platform made by refugees that will be part of a European network. The aim is to keep attention on migrants issues. Facebook page >>> Photo: Jan Theun van Rees
Issue #012 Published: 25-05-2017 // Written by: Klaar vd Lippe
Geen baas hebben, geen baas zijn.... Dick Hageman Geb. Amsterdam, 1925 Straatmuzikant en pottenbakker
Hoe wordt je straatmuzikant in Amsterdam?  Tja, hoe loopt het leven? Eigenlijk wilde ik chemiegraaf worden, net als mijn vader. Mooi beroep, je maakt met zuur etsen voor de drukkerij. Ik ging op voor leerling chemigraaf maar toen kwam de oorlog en stuurden mijn ouders me naar de schippersschool in de Sixhaven, van het Koninklijke Onderwijsfonds voor de Scheepvaart (KOFS). Dat was intern. Omdat ik het daar zo goed heb gedaan, met goed gevolg heette dat, mocht ik door naar de werf van scheepsbouwer Van Ommeren. Zij bouwden tankschepen. Maar door de oorlog was er weinig werk. Toen ben ik maar gaan varen op de de Rijn. Ik heb trouwens ook nog een tijdje ondergedoken gezeten in de Spiegelstraat. Na de oorlog ging ik varen op een sleepbootje. Lijkt leuk, maar ik vond er weinig aan. Geen vrijheid.  Ik wilde geen baas. Het lag me niet en het was ook tegen onze politieke overtuiging. Geen baas hebben en geen baas zijn. Want ik zat bij de A.N.J.V. (Algemeen Nederlands Jeugd Verbond) Dat was een linkse, zeg maar communistische jeugd vereniging. Het was sterk anti-militaristisch. Het was direct na de oorlog waarin de communisten een grote rol in het verzet gespeeld hadden. Je kwam daar en er waren lezingen en discussies. Over hoe de nieuwe wereld moest worden.  Die jeugdvereniging was niet alleen politiek. Er waren ook dansavonden en bijeenkomsten met andere verenigingen. Zo leerde ik ook mijn levenspartner Joke kennen. Zij kwam uit Groningen en was lid van de J.G.O.B. Jongelieden Geheel Onthouders Bond. Wij zijn ons hele leven bij elkaar gebleven.  Maar hoe de kost te verdienen zonder baas?  Via Joke leerde ik Chris Niemeyer kennen. Een vrije jongen, een straatmuzikant. Zoiets leek me wel wat. Hij wilde het wel met me proberen. Gelukkig was ik opgegroeid in een muzikaal gezin. Mijn moeder en zusters zongen en wij speelden muziekinstrumenten. Dus ik kon het aardig bijhouden.  De woningnood was in die tijd heel groot. Je kon bijna niets krijgen. Zeker niet als je, zoals Joke en ik, niet getrouwd waren. Samenhokken was niet fatsoenlijk. Dat was een taboe. Wat wel kon was woningruil. Chris had toen een huis in oost. Dat heeft hij toen geruild met een woning in Eerbeek, aan de rand van Amsterdam.  Het huis in Eerbeek was groot genoeg voor ons vieren en er zat een stuk grond bij. Het plan was om daar groenten op te verbouwen. Zo konden we onafhankelijk zijn. Naar anarcho communistische principes: Onafhankelijk en zelfstandig! Wat we verder nog aan geld nodig hadden verdienden we als straatmuzikant.  Chris speelde banjo en ik gitaar. We zongen allebei. Chris zong de tweede stem terwijl hij de melodie op de banjo speelde. Daar moet je behoorlijk muzikaal voor zijn!  Straatmuzikant zijn was anders dan je nu ziet. Muziek was iets bijzonders. Geen langspeelplaten, geen muziekinstallaties. Het was eigenlijk overal stil. Muziek werd live gemaakt. Op straat had je draaiorgels of straatmuzikanten. Volendammers in kostuum die liederen zongen. Wij traden op in cafe’s en winkels. Je moet je voorstellen dat er niet veel te krijgen was. Je moest overal in de rij staan. Voor boodschappen, voor de bioscoop. Die mensen verveelden zich. Dus dan speelden wij 1 of twee liedjes en gingen met de pet rond. Op straat, maar ook in winkels. Dan kreeg je een paar centen.  Chris zong op zich niet zo mooi, maar hij had een hele leuke kop en kon het geweldig brengen. Dat was onze charme. En natuurlijk wát we brachten. Ons repertoire waren namelijk de liedjes die op dat moment populair waren. Je hoorde die op de radio. Chris maakte daarvan een arrangement. We schreven de tekst op grote vellen en hingen die aan de muur. Gedurende de week oefenden we ons nieuwe materiaal. Op donderdag pakten we dan de trein naar Amsterdam. We hadden een hele route. Iedere week kwamen we langs met het nieuwe liedje. Met al onze centen gingen we dan op zaterdagmiddag naar een koffiehuis aan de Amstel, genaamd ‘de vette hap”. Het zat aan de stadskant van de magere brug en werd gerund door de heer Bruckner met zijn Zwitserse vrouw. Daar kwamen allemaal kunstenaars. Schrijvers zoals Achterberg en Lucebert. Hij nam al die centen en wisselde ze voor guldens. De centen stonden in grote potten achter de toonbank. Met de buit gingen we dan met de trein terug naar Eerbeek. We hadden ze weer verdiend. en dat was nodig ook want de grond bleek veel te arm om te bebouwen. Nou ja, de gedachte was goed. Ik was altijd op zoek naar mensen om mee te spelen. Via via hoorde ik van een violist: Ton Haantjes Dekker. Dat was een nette jongen van een behoorlijke familie. Geld uit Indië. Maar dat was na de oorlog natuurlijk afgelopen. Indonesië was geen kolonie meer maar had zich vrij gevochten. Dus moest hij geld verdienen. Haantjes Dekker woonde met zijn elegante vrouw, een Adema van Scheltema op een botter aan de Amstel. Niet een hele beste. Hij sliep met één arm uit bed. Dan werd hij wakker van het water te hoog kwam te staan. Moesten ze pompen. Met die mooie hoeden van zijn vrouw op een hoge plank. Anders waren ze bedorven.  Haantjes Dekker was geen straatmuzikant, te klassiek geschoold. Kon alleen van het blad spelen. Maar dat schiet niet op: standaard neerzetten, muziek uitpakken, bladen omslaan. Nee, dat werkt niet. Hij had daar toen iets op bedacht: een bandrecorder... Moet je voorstellen die dingen waren toen verschrikkelijk duur. Dat was iets heel moderns. Daarop had hij dan muziek opgenomen en kon hij meespelen. In theorie werkt dat. Maar, stel je voor, je kwam met dat appaaraat, een flink ding, in het cafe. Moet je stroom hebben. Een tafeltje om het ding op te zetten. Er is herrie. Voor je goed en wel aan het spelen kon was je een kwartier verder. Nee, dat werkte net zo min. Je moet erin en eruit, in een cafe. Binnenkomen, liedje, liedje, liedje, vangen en weg. Tenminste, zo heb ik er altijd mijn brood mee verdient.  Na twee jaar kwam er een einde aan de Eerbeekse periode. We besloten te gaan reizen en kochten bij een sloperij Diemen in een onderstel van een wagen. Daar bouwden we een opbouw op.  Je kon toen aan de Osdorperweg op een woonwagenkamp staan. Dat wist bijna niemand. Het was perfect. In het midden stond een pomp voor water. Je kookte op een vuurtje of in de wagen. Toen vrienden van ons, Co en Tinie Stubbe uit de Jordaan zagen hoe we erbij zaten kwamen ze er ook bij staan. Hij was een goede tekenaar en schilder maar speelde ook gitaar. Zij zijn toen met ons naar Frankrijk gegaan.  Die reis was prachtig. We zetten onze wagens op de trein,  zo een een lage wagen. Ze werden vastgesjord en wij gingen binnen zitten. Stel je voor: Achter de stoomlocomotief trok het landschap aan je voorbij. Op onze zoon Dick heeft die reis zoveel indruk gemaakt dat de woonwagen voor hem heel lang het ideaal is gebleven. Met de wagens zijn we door Frankrijk getrokken en uiteindelijk net over de Belgische grens in Zeeuws Vlaanderen neergestreken. De eerste jaren woonden we nog in de wagen. Later in een boerderij. Heel simpel hoor. Het was een komen en gaan van vrienden muzikanten en kunstenaars. Ik ben altijd blijven spelen. Daarnaast ben ik een pottenbakkerij begonnen. Ik had bij mijn vriend in Amsterdam gezien dat dat aardig wat kon opbrengen. Ik ging op de brommer naar Antwerpen om in een nachtclub te spelen en stond op de markt met de pottenbakkerij.  Zo heb ik altijd onafhankelijk kunnen blijven. Ik heb geen baas gehad en was geen baas. Het belangrijkste om dat vol te houden is eenvoudig te leven. Hou je vaste lasten laag. Dan ben je vrij. Dat heb ik ook mijn zoons altijd voorgehouden. Ze hebben dat in zekere zin ook overgenomen, dat vrije. Mijn ene zoon woont in Griekenland en is pottenbakker, mijn andere zoon in Portugal en verkoopt sieraden.  Onafhankelijk, allebei. Ik maak nog steeds muziek, met mijn eigen band: de Dick Hageman band. We oefenen regelmatig en treden op als we gevraagd worden. Dat gebeurd. Ik wil de mensen niets opdringen. Maar ze hebben er blijkbaar toch aardigheid in. Mijn repertoire is het Nederlandse lied. Niet plat. Slauerhof, volksliedjes. Straatmuziek. Over het leven van Dick en Joke is net een boek verschenen: Ik heb Kermis gevierd, door Angeline Graste. Voor wie iets wil horen van Dick Hageman: CD, Ik heb kermis gevierd (2015).  
Issue #012 Published: 23-05-2017 // Written by: Various
Futurologisch Symposium – ADM Amsterdam
ZEVENDE TRANSNATIONAAL FUTUROLOGISCH SYMPOSIUM VRIJE CULTURELE RUIMTES OP ADM Door: Aja Waalwijk Na drie jaarlijks terugkerende symposia in Ruigoord en drie in respectievelijk Boom-Land in Portugal, Christiania in Denemarken en de Republiek Uzupis in Litouwen, richten de initiatiefnemers zich wederom op Amsterdam. Gekozen is voor de ADM in Westpoort, een van de weinige parels van vrijheid die de stad nog rijk is. Doel is te komen tot een aantal concrete voorstellen aangaande alternatieven voor een opnieuw leefbare en creatieve stad. Het behoud van de laatste vrije culturele ruimtes in de marge staat op het spel, maar ook aandacht voor een creatieve infuus voor de binnenstad is volgens de organisatoren noodzaak.  Het gaat niet alleen om Amsterdam. Het te maken statement over o.a. het belang van nieuwe vrije culturele ruimtes in de binnensteden zal worden opgestuurd naar de gemeentebesturen van diverse grote steden in binnen- en buitenland. Naast de manifestatie op de ADM-werf wordt er ook nagedacht over een statement in de stad zelf, zodat ook andere mensen ‘besmet’ kunnen worden met het ‘vrijheidsvirus’. Er zijn vrije culturele ruimtes van allerlei aard.  Broedplaatsen richten zich op woon/werkruimtes voor kunstenaars, ontwerpers en creatievelingen. Maar mini-samenlevingen, zoals op de ADM, bestaan uit mensen van allerlei verschillende achtergronden. Net als in Ruigoord is er kunst en bestaat er een festivalcultuur. Alleen op de ADM is niet iedereen ‘kunstenaar’, maar vooral ‘levenskunstenaar’.  Disneyland ligt dichterbij dan je denkt. Het centrum is een aangeharkt consumentenparadijs. Er is geen zwerver meer te zien en niemand maakt nog een tekening op straat. Verdwaalde toeristen zoeken nog naarstig naar de magie van plekken als Slangenpand, Schijnheilig, Pleinwerker, Zebrahuis, Kalenderpanden, Huize Chaos, Uilenburgt, Pampus, Wijers of Aorta; plekken die de stad eens lieten bruisen en daarmee het imago van Magisch Centrum Amsterdam vorm en inhoud gaven. Amsterdam is kaal zonder actueel verhaal. Iedereen weet het: een stad zonder leven is ten dode opgeschreven. Het symposium is onderdeel van het ADM-festival op 12-14 oktober. Deelnemers zijn de Culturele Stelling van Amsterdam, bestaande uit een dertigtal aaneengesloten vrije culturele ruimtes zoals Domijn, Ruigoord, Zaal 100, OT301, Tetterode, Bajesdorp, Urban Resort, Nieuw en Meer, Rijkshemelvaart en Nieuwland. Voorts nemen o.a. deel: Christiania in Kopenhagen, Gangenviertel Hamburg, Autonomedia New York, Doel bij Antwerpen, Republiek Uzupis in Vilnius, Institut for X in Arhus, het Poortgebouw te Rotterdam, De Vrijplaats in Leiden en het Landbouwbelang te Maastricht. (wordt vervolgd)  AMSTERDAM GAAT KAPOT Door: Eric Duivenvoorden Zulke speelruimte vond men in Amsterdam altijd in de talloze vrijplaatsen waar decennialang een zekere tegendraadsheid de toon zette. In de vrije ruimte van de stad kon alles wat elders onmogelijk was. Het schiep een cultureel en creatief klimaat dat op velen een onweerstaanbare aantrekkingskracht uitoefende. Van heinde en ver kwamen ze er op af, de kunstenaars, vagebonden, uitvinders, waaghalzen, creatievelingen en andere vreemde kostgangers. Ze lieten de stad floreren en ze verspreidden de faam van het Magisch Centrum Amsterdam over de hele wereld.       Maar nu dreigt de stad ten onder te gaan aan haar eigen succes. De eens zo krachtige levenslijn wordt afgekneld door de voortwoekerende groei van achteloze stadsmisbruikers. Wat is er overgebleven van die vrije culturele ruimte waar Amsterdam zo vermaard om was? Slechts een paar enclaves zijn er nog, het merendeel ver weg, buiten van de stad.    Het wordt tijd om midden in de stad weer wat ruimte terug te veroveren. Tekst ter introductie van het Futurologisch Symposium – ADM Amsterdam in oktober 2017  Amsterdam Fair City, www.faircity.amsterdam
Issue #012 Published: 21-05-2017 // Written by: jacqueline Schoemaker
Ode aan het gevaarlijke bosje
Ze hadden niets te maken met ‘groen in de stad’, al waren het vaak groengebiedjes. Ze hadden niets te maken met parken, buurtmoestuinen, sierplantsoenen. Het waren vage plekken, plekken die overgebleven waren nadat de planners en bouwers hun werk hadden gedaan, restruimtes die ontstonden omdat andere ruimtes werden afgebakend als woonwijk, sportveld of industriegebied. Onttrokken aan beleid, aan afbakening en toe-eigening en invulling, werden het plekken van overschot en uitschot, plekken waarvan men zei dat het er gevaarlijk was, dat je er ’s avonds niet alleen doorheen moest lopen. Het waren plekken die altijd en voor iedereen toegankelijk waren, die in hun eigen kwetsbaarheid geen sluitingstijd kenden, geen economisch of educatief doel. Die geen mens, hoe desperaat ook, weerden. Van nature omarmend waren ze, bedekkend, de schaamte absorberend van iedereen die er, wanneer dan ook, met zijn ziel onder de arm toevlucht zocht. Je vond er condooms en tissues en sigarettenpeuken en lege bierblikken. Je vond er ook injectienaalden, en soms verregende matrassen, rollen wc papier en plastic zakken met stinkende kleren. Of restanten van hutten en vuurtjes. En altijd veel graffiti, als de plek ergens grensde aan een blinde muur.  Het waren plekken waar men grenzen overging. Plekken die de adolescenten herbergden, de jongeren die er hun krachtmetingen aangingen, truth or dare, niet met hun ouders en leraren maar met elkaar, ‘wie durft er z’n hoofd te steken in het water van de vijver waar het bord ‘botulisme’ naast staat, wat krijg ik ervoor als ik het doe?’ Brommertjes, eerste sigaretten, eerste seks. Plekken waar kinderen zich konden verstoppen, kinderen die op hun beurt zich onttrokken aan het gezag van de oudere zus want de zus was niet de moeder om zich ervan te vergewissen dat het gevaar bestond, en dat dit was wat men altijd bedoelde met ‘avontuur’. Plekken waar mannen – heimelijk, zonder woorden – andere mannen betastten, en geen andere plek vonden om dat te kunnen doen. Het waren plekken waar je niet mee hoefde te doen, waar je naartoe ging omdat je niet mee kon doen, waar je dat deed waarover thuis gezwegen werd. Plekken waar hokjes, klassen, functies, streefdoelen, in het niet vielen bij waar je nood aan had. En dat waar je nood aan had, in niets verschilde met dat waar de anderen nood aan hadden. Waar het verschil werd opgeheven, het verschil vervloog in de schaduw van het bladerdek dat, waar je ook mee bezig was, omhulde. Het waren plekken waar je, vroeg of laat, ooit een keer doorheen moest lopen.  Nee, ze hadden niets te maken met ‘groen in de stad’. ‘Groen in de stad’ verdreef de vage plek met zijn ‘veiligheid’ en ‘transparantie’ en ‘passend beleid’. Met de komst van ‘groen in de stad’ werden de kinderen angstvallig binnen de tuinperken gehouden en verlegden de adolescenten hun buitenissigheden naar het internet, ’s avonds laat, na bedtijd, de rode ogen. De mannen deden hetzelfde. Truth or dare met tussen jezelf en het gewaagde het reflecterende computerscherm. Wie durft opnieuw een plek in bezit te nemen, een plek van gevaar en afzondering en fysieke nabijheid, voorbij het computerscherm, voorbij de speeltuin van het opgekuiste park, wat krijg ik ervoor als ik het doe?