Issue #015 Published: 27-11-2017 // Written by: Hessel Dokkum

Hoe komt er weer beweging binnen broedplaatsen

Laatst werd op de NDSM een symposium gehouden onder de noemer Making Space. De kern van de discussie spitste zich toe op de vraag hoe ervoor gezorgd kon worden dat broedplaatsen geen ingeslapen plekken zouden zijn na verloop van tijd. De toehoorders mochten meegenieten van de schrik van de sprekers over het feit dat econoom Richard Florida tegenwoordig zelf zijn filosofie dat steden zich moesten gaan richten op de creatieve klasse als economische waarborg, die door Amsterdam 15 jaar geleden werd omarmd, als onzin bestempelde. Het symposium eindigde met de constatering dat er achteraf gezien geen creatieve klasse bestaan heeft, en dat er veel ingeslapen broedplaatsen zijn, terwijl de vraag hoe dit laatste voorkomen kon worden, geen antwoord kreeg. 

Men is blijkbaar vergeten dat er al een broedplaatsbeleid was voordat Florida met zijn term ‘creatieve klasse’ ervoor zorgde dat in 2005 het broedplaatsbeleid werd omgevormd van een sociaal experiment naar een kunstenaarsbeleid. Niet voor niets is sindsdien de wethouder van cultuur verantwoordelijk voor het broedplaatsbeleid in plaats van de wethouder ruimtelijke ordening. Ik denk dat er wel een antwoord te geven is op de vraag hoe broedplaatsen levendig gehouden kunnen worden, waardoor ze een meerwaarde voor de stad behouden op het gebied van experiment, sociale en politieke betrokkenheid, en hoe ze reageren op veranderingen. De oplossing is te vinden bij het ontstaan van het broedplaatsbeleid.

Het oorspronkelijke stedelijk sociale experiment door middel van het broedplaatsbeleid is ontstaan in 1999 op aangeven van de kraakbeweging. Zij heeft als het paard van Troje haar positieve waarden meegegeven aan de stad middels het broedplaatsbeleid.

In Amsterdam werden er rond 1980 veel bedrijfspanden gekraakt. Omdat deze panden geen keukens of sanitair hadden, werden er bij de kraak snel een keuken en een douche gebouwd. De krakers gingen daardoor noodgedwongen in woongroepen leven. Als woongroep zorgden ze ervoor dat het pand bewoonbaar gemaakt werd. Bij lekkages moesten ze zelf letterlijk het dak op. Er waren plenaire vergaderingen waarin iedere gebruiker een stem had. Zelforganisatie en zelfbeheer werden door het kraken van deze panden noodgedwongen geboren. 

In Amsterdam zijn ongeveer 200 gelegaliseerde grotere panden. Van deze 200 panden zijn er 175 gelegaliseerd via aankoop door woningbouwcoöperaties. De krakers moesten dan hun pand uit en konden na de verbouwing weer terugkomen als huurders van de woningen. Als er iets stuk was, moest de woningbouwcoöperatie gebeld worden. Al met al was het resultaat dat de huurders over het algemeen apathisch werden omdat hen alle verantwoordelijkheid over de mogelijke invulling van hun omgeving afgenomen was.

In 1988 werd de afbraak van de collectiviteit door het afstoten van de eigen verantwoordelijkheid doorzien door een aantal mensen. Door de gemeente werd toen in samenspraak met een aantal krakers de Casco+ regeling opgesteld. Deze regeling zorgde ervoor dat een woningbouwcoöperatie verantwoordelijk werd voor het casco, maar dat de huurders zelf verantwoordelijk werden voor alle inbouw. Als er gedeelde plichten zijn, hoort daar ook bij dat de groep zelf beslist wie hun collectief kan versterken. Voorbeelden zijn Tetterode en de WG-paviljoens, waar behalve gewoond ook gewerkt wordt door de groep.
Daarnaast zijn ongeveer 20 panden behouden door middel van eigen aankoop. Voorbeelden zijn Vrankrijk, de Binnenpret, en Zaal 100. In deze panden bepalen de gebruikers hun eigen leefomgeving en dus ook wie er gaan wonen of werken. Deze panden draaien nog steeds op het Do-It -Yourself-principe. Het zijn panden die mee veranderen met de tijd, waar grasdaken en zonnepanelen verschijnen. 

Het is duidelijk dat het hebben van gezamenlijke verantwoordelijkheid essentieel is voor het voortduren van zelfbeheer. Collectiviteit is een must. Collectiviteit en zelfbeheer creëren mensen die gaan experimenteren met hun omgeving. Het aannamebeleid bepaalt of een pand zich staande kan houden of niet. Bij een slecht aannamebeleid zakt een pand helemaal weg, de collectiviteit verdwijnt, waardoor de gebruikers zich gaan gedragen als huurders. Om dit laatste te voorkomen zouden binnen deze panden de gebruikers zich elk jaar individueel moeten verantwoorden waarom ze nog steeds deel uitmaken van het collectief en wat hun aandeel daarin is geweest dat jaar. Dit ter voorkoming van de veryuppirisering binnen deze panden.

Binnen een collectief wordt men gedwongen om met anderen dingen af te spreken als men wil dat een pand leefbaar blijft. Door collectiviteit kunnen er meer dingen gestalte krijgen dan door individualiteit. De kracht van het collectief is zoveel groter, in collectieve panden kunnen dan ook dingen als debatten, festivals, restaurants, bars, buurtactiviteiten, etc. vorm krijgen. Het leven binnen een collectief pand is één grote ontmoeting. Gedeelde verantwoordelijkheid en gedeelde afhankelijkheid zorgen ervoor dat mensen elkaar tegenkomen en verbintenissen aangaan, waardoor er ook synergie op andere vlakken vaak plaatsvindt. 

Verantwoordelijk zijn voor de eigen leefomgeving is natuurlijk een mooi gedachtengoed. Het is echter gebleken dat niet eenieder geschikt is om die verantwoordelijkheid te dragen. Er zijn mensen die niet coöperatief zijn en hun eigen privébelangen voorop stellen. Collectiviteit is bijvoorbeeld voor veel kunstenaars erg moeilijk; ze zijn vaak gericht op het eigen ik en het eigen creëren. 

Het broedplaatsbeleid is in 1999 ontstaan naar aanleiding van een gemeenschappelijk raadsadres van verschillende kraakpanden onder het motto “De Stad bloed dood”. Veel kunstinitiatieven sloten zich aan bij dit raadsadres. Krakers zetten zich in de beginfase in om tot een goed broedplaatsbeleid te komen. Ze dachten mee met het Plan van Aanpak Broedplaatsen, waarin collectiviteit, diversiteit, ruimte voor experiment en zelfverantwoording als randvoorwaarden werden opgenomen voor het subsidiëren van nieuwe broedplaatsen. Ook binnen de eerste versie van het CAWA-reglement stonden deze randvoorwaarden hoog in het vaandel. De kraakbeweging gebruikte het broedplaatsbeleid om collectieve panden als OT301, Plantagedoklaan, en Wilhelmina te behouden, en plekken als Xpositron en ook de NDSM te creëren.

Het Do-It-Yourself-principe heeft ook geresulteerd in het stadsontwikkelingsmodel ‘De Stad als Casco’. Dit model gaat ervan uit dat mensen de verantwoordelijkheid ten aanzien van de hen omringende omgeving zelf op zich nemen en dat zij zich binnen deze omgeving ontplooien. Het doel is een levendige stad te creëren, waarbij gebouwen en ruimtes casco opgeleverd worden en waarbij een volgende gebruiker er weer zijn/haar eigen invulling aan kan geven. Op de NDSM is dit model leidend bij de bouw van de broedplaatsruimtes. Op de Plantagedoklaan is binnen het erfpachtcontract gesteld dat van de 3000m2 vloeroppervlak er 1200m2 in gebruik moet zijn van kunstenaars, zonder dat daarbij is vastgelegd waar in het pand deze 1200m2 zich zou moeten bevinden. Werkruimtes kunnen daardoor bijvoorbeeld ateliers worden, ateliers kunnen lesruimtes of een kantoor worden, niets staat vast voor het gebruik in de toekomst.

Tussen 2006 en 2007 is het broedplaatsbeleid door de gemeente van een sociaalbeleid naar een kunstbeleid omgeturnd waardoor commercialiteit, economische haalbaarheid en starheid de boventoon gingen voeren boven de mogelijkheden die veranderingen met zich meebrengen. Het experiment en de verbinding met de maatschappij zijn sindsdien niet meer belangrijk in broedplaatsen. Er wordt niet meer gezocht naar de zelfverantwoordelijkheid van de gebruiker of huurder. Als er teruggegrepen werd naar de randvoorwaarden van het oorspronkelijke Plan van Aanpak van het broedplaatsbeleid, en als elke gebruiker van een broedplaats jaarlijks aan het collectief zou verantwoorden waarom hij of zij onderdeel wil zijn van dat collectief, dan zouden broedplaatsen weer bruisende plekken worden.

De foto’s zijn genomen tijdens NDSM Open - 10 years Art City en het symposium MAKING SPACE, over het betekenis en belang van culturele vrijplaatsen in Amsterdam.

Fotografie: Vicky de Visser