Issue #014 Published: 13-09-2017 // Written by: Stijn Verhoeff

Onder de paraplu van het klimaat geïnspireerd door de klimaatactie Code rood

Het is maandagochtend en ik begin voor de derde keer aan dit artikel over de klimaatactie van Code Rood. Afgelopen vrijdag dacht ik het stuk af te hebben. Ik had er een volle week aan gewerkt en ik stuurde het naar een aantal vrienden, op zoek naar de bevestiging van de kwaliteit. Na het weekend zou ik nog een paar puntjes op de i zetten en weg ermee. Mijn werk zou erop zitten. Tijd voor een welverdiend weekend, het was bovendien heerlijk weer. 

Terwijl ik in de zon lag en naar het wielrennen keek, kon ik mij er niet van weerhouden af en toe de mail te checken. Langzaam kwamen de eerste reacties binnen. ‘Hmmm, tja.’ Leuk stuk, of nee, dat zeiden ze niet. ‘Waar ben jij in dit verhaal?’, schreef een eerste lezer. ‘Wat voelde je? Wat dacht je?’, schreef een tweede. 

Wat voelde ik? Wacht even, hadden ze wel het stuk gelezen dat ik ze had gestuurd? De klimaatactie van Code Rood ging over samenhorigheid. Over wij in plaats van ik. Of sterker nog, over zij: The birds and the bees, het stervende koraal. Arbeiders in kolenmijnen in Colombia. Inwoners van Groningen. 

Als de klimaatactie van Code Rood iets was, schreef ik in het stuk, dan was het een solidariteitsactie, een oefening verder te kijken dan de eigen neus lang is. Na een lange beschrijving van het reilen en zeilen op het vierdaagse klimaatkamp nabij Station Sloterdijk en de bezetting van een kolenopslag in de Amsterdamse haven was ik tot de conclusie gekomen dat klimaatactivisme veel verder gaat dan het terugdringen van de co2 uitstoot. 

De stelling was dat de klimaatproblematiek als katalysator, als paraplu zou kunnen dienen voor de vele verschillende struggles, de vele emancipatieprocessen die de laatste jaren voor een tweede, derde of vierde keer op zijn gekomen. Het veranderende klimaat zou ons kunnen doen beseffen dat wij één kunnen zijn, samen zullen moeten komen en onze krachten zullen moeten bundelen om te kunnen strijden tegen onrecht, ongelijkheid en uitbuiting. Tegen dat wat ook wel het witte patriarchaat wordt genoemd. 

Ik noemde het uit Amerika overgekomen Intersectionality, het idee dat verschillende maatschappelijke problemen, zoals racisme, gender-ongelijkheid en armoede, geregeld samen vallen en daarom in elkaars relatie bezien moeten worden (en alleen dan kunnen oplossingen gevonden worden). Ik stelde dat verschillende groepen ondanks of juist omdat ze verschillende problemen hebben samen kunnen komen. Antiracisme-activisten hebben het immers over het sluimerende neokolonialisme, terwijl feministen de eeuwenoude gender-ongelijkheid benoemen. En zij kunnen allen niet genoeg gehoord worden, maar hoe zou het zijn, schreef ik, als alle krachten gebundeld worden en onder de paraplu van het klimaat ten strijde trekken tegen de hypocrisie van een verderfelijk systeem? Doet de Amerikaanse opperkoning graaigedrag ons niet beseffen dat een grens is bereikt? Is het niet aan ons allemaal om op te staan en gezamenlijk op zoek te gaan naar alternatieven?

Waarom, vroeg ik mij dus af, zou ik, zoals mijn kritische lezers mij voorstelden, mijn persoonlijke perspectief over dit verhaal moeten leggen? Barst onze publieke opinie niet van de opgeblazen ikken? Is het columnisme als levenshouding niet onderdeel van hetzelfde probleem? Namelijk dat het individualisme, hoe emancipatoir het zich ook uitdraagt, allesbehalve samenbrengt? En is het samenkomen, de groepsonderneming, niet de opdracht van deze tijd?

Geregeld lijkt een columnist, en vergeef me mijn cynisme, eerder bezig een te impuls geven aan zijn of haar eigen carrière (met een uitnodiging van Zomergasten als kers op de taart) dan de betreffende zaak voor het voetlicht te brengen. Sommige tendensen kunnen nu eenmaal niet los gezien worden van het tijdsbestek waarin wij leven: facebook en twitter zijn niet alleen maar ontstaan omdat de techniek het mogelijk maakt. Deze sociale media zijn allereerst afspiegelingen van onze tijd, de lucht die wij inademen: het kapitalisme. Het klinkt wellicht vies of misschien achterhaald, toch kunnen we het beestje, of zeg maar gerust beest, beter bij de naam noemen. 

Laat ik eerst voordat ik doorschiet in deze tirade kort uitleggen wat de Code Rood klimaatactie precies inhield. Op 24 juni jongstleden, precies twee jaar na de gewonnen klimaatzaak van Urgenda, bezetten ruim 300 activisten een kolenopslag in de Amsterdamse haven. Ons eigen kleine en schattige Amsterdam blijkt namelijk de grootste benzinehaven van de wereld en de op één na grootste kolenhaven in Europa (na Rotterdam) te zijn. Miljoenen liters olie en tonnen kool gaan in het westelijke havengebied jaarlijks aan land en worden systematisch doorgesluisd naar tankstations of kolencentrales in Europa en daarbuiten. Amsterdam is een essentiële schakel in de distributie van fossiele brandstof en daarmee meer dan medeverantwoordelijk voor het veranderende klimaat. 

Dat het bewustzijn over dit veranderende klimaat gestaag groeit, weten we. Het kan ook niet anders want de gevolgen worden met de dag zichtbaarder: bossen staan in de fik, mensen raken ontheemd en slaan op de vlucht, eilanden worden overspoeld, diersoorten sterven uit, etcetera, etcetera. Het verhaal is ons allen bekend. 

De politiek werkt echter onvoldoende mee. Tegen de klimaatzaak van Urgenda ging onze Staat in hoger beroep, en inmiddels zijn we alweer twee jaar verder en wachten we nogsteeds op antwoord. Ondertussen wordt nota bene onder leiding van Gerrit Zalm, zoon van een kolenboer en commissaris van Shell, het energiebeleid van het nieuwe kabinet samen gesteld. 

Genoeg reden voor een groep betrokken burgers om onder de naam Code Rood de eerste burgerlijke ongehoorzaamheidsklimaatactie te organiseren. Want dat het moment is aangebroken om naast de juridische weg ook andere pressiemiddelen in te zetten, is volgens Code Rood zonneklaar. Zo schrijven zij in hun manifest:

Wij zijn ervan overtuigd dat het gebruik van deze actievorm een noodzakelijke en legitieme stap is om klimaatverandering te beperken. Met onze actie willen wij de alarmklok luiden voor de hele samenleving: Sta op! Alleen met massaal verzet zal het lukken om een einde te maken aan het tijdperk van de fossiele brandstoffen. Nood breekt wet!

Punt. 

En zo trokken op zaterdagochtend 24 juni 2017 vanuit een tijdelijk kampement nabij Station Sloterdijk ruim driehonderd vrouwen en mannen in een stoet richting de Amsterdamse haven. Allen liepen in witte pakken. Het nummer van een advocaat van Code Rood op de arm gekalkt. Telefoon en identiteitsbewijs thuisgelaten, eten en drinken in de rugzak. Stro was in zakken gestoken, mocht de politie met geweld optreden, of anders om op te zitten. Het kon weleens een lang dagje zitten worden. 

Na een klein half uurtje lopen en de stemmen al bijna schor kwam de stoet tot stilstand. Drie flinke spandoeken werden er tegen een hek gehouden, grote gaten werden er in het hek geknipt en met zijn allen tegelijk klauterden de groep activisten het terrein van OBA Bulk Terminal op. Kolenbergen prijkten fotogeniek op de achtergrond.

De vijf werknemers van de enorme opslag en doorvoer voor onder andere kolen en staal hadden tegen de driehonderd activisten niets in te brengen. Even probeerden ze de massa nog met een waterspuit op andere gedachten te brengen, maar het maakte geen verschil. De groep verspreidde zich in allerlei kleine groepen over het terrein. Gigantische graafmachines en hijskranen werden beklommen, spandoeken werden uitgehangen en de bezetting was begonnen. 

Sommige groepjes bleven urenlang op dezelfde plek, een pak speelkaarten bij de hand, andere trokken het gehele terrein over op zoek naar ik weet niet wat. Er werd gefrisbeed en gedanst. Een jonge man hield spontaan een lezing over blood coal mijnen in Colombia, waar paramilitairen met goedkeuring of zelfs tegen betaling van de mijnbedrijven werknemers onderdrukken, uitbuiten of vermoorden. Er werden teksten in de kolenbergen geschreven en er werden kranen bezet. 

En het bijzondere was dat de meesten hun mobieltjes thuis hadden gelaten, mochten men opgepakt worden dan zou de politie de identiteit niet kunnen achterhalen. Er werden dus geen op de eigen borst kloppende selfies gemaakt en dit was precies de reden waarom ik mijzelf niet centraal wilde stellen in dit artikel over klimaatactivisme. Kijk mij even cool activist zijn.

Ik wilde Code Rood prijzen. Ik wilde met mijn stuk deze club anonieme, maar zeer betrokken burgers bedanken en hun horizontale organisatie een extra zet meegeven. Zij hadden zich immers in het belang van ons allemaal en de wereld in het bijzonder uit de naad gewerkt. Geïnspireerd door de Duitse klimaatactie Ende Gelände waren zij maanden bezig geweest om het vier dagen durende klimaatkamp te organiseren. Gezamenlijk hadden ze een actieconsensus en manifest geschreven. Samen met andere collectieven zoals Rampenplan, die de veganistische keuken verzorgde, en Stroomversnellers, die workshops gaven over het leren om samen de wereld te veranderen, hadden zij deze eerste Nederlandse burgerlijke ongehoorzaamheidsklimaatactie mogelijk gemaakt. Onafhankelijke advocaten hadden zich beschikbaar gesteld mochten er arrestaties plaatsvinden. Een mediateam zorgde voor de fotografen en de contacten met de pers. Het ‘politieteam’ was in contact met de politie, voor wie de-escalatie als toverwoord gold. Dit wordt ook wel repressieve tolerantie wordt genoemd: de boel tolereren, rustig houden en vooral niet groter laten worden, want dan radicaliseren de activisten en is de politiek nog verder van huis. 

Ik wilde schrijven over hoe een kleine splintergroep ‘radicalen’ zich had gedistantieerd van het softe activisme (lees: gebellenblaas) van de rest en waarom het goed was dat ze er waren geweest. Terwijl het leeuwendeel van de activisten het terrein verliet, bleef deze kleine groep hoog verscholen in een kraan zitten. Later op de dag werden ze opgepakt en vervolgens hebben ze bijna een hele week vastgezeten. In mijn ogen hadden ze met hun onverzettelijkheid alle andere ‘activisten’ een spiegel voorgehouden. Want wat houdt activisme precies in?, schreef ik. Hoe belangrijk vindt men de klimaatzaak en hoe ver is men bereid te gaan? Wat is productief activisme? En hoe krijg je een zo groot mogelijke groep mensen op de been? Kan activisme mainstream worden en is dat goed?

Ondertussen zapte ik van het door poen aangedreven wielrennen naar het nieuws, waar de anarchisten, antiglobalisten en vast ook klimaatactivisten zich tijdens de G20 in Hamburg lieten zien. Mijn perspectief kantelde nogmaals. Kijkende naar het gevecht tussen de stenen gooiende linkse radicalen en de politie, met hun monopolie op geweld, realiseerde ik mij hoe weinig wij van alles wat er in Hamburg gebeurde meekrijgen. Niet alleen blijft wat de politici achter gesloten deuren bespreekt geheim, ook de ideeën die in duizenden gesprekken van demonstranten worden ontwikkeld verspreiden zich slecht. Het spektakel van de sensationele overtredingen neemt het simpelweg over van het complexe verhaal over een imperialistisch verleden, een neokoloniaal heden of een alternatieve toekomst. 

Nieuwe ideeën of overtuigende argumenten worden niet gehoord en de publieke opinie is eensgezind: het destructieve gedrag van de ‘links radicalen’ gaat veel te ver. Maar hun antwoord, als ze niet opgepakt zouden worden of een andere manier van communiceren zouden hanteren, zou de zelfkritische vraag zijn wie er met de systematische roofbouw aan de andere kant van de planeet, met het steunen van schimmige praktijken en het uitbuiten van arbeiders in landen ver weg nu eigenlijk een grens over gaan? Zijn wij dat niet allemaal? 

Tijdens de vele discussies tijdens de Code Rood actie was het idee van the global north versus the global south mij duidelijker geworden. Het zuiden – denk aan de droogte in Oost-Afrika of het overstromen van eilanden in de Stille Oceaan – betaalt de prijs (typerend woordgebruik in deze context) voor het handelen van de economieën in het noorden. Wat de linkse radicalen in Hamburg niet wisten te communiceren is dat wij hier meedraaien in een systeem dat deze praktijk in stand houdt. Wij burgers, die stroom voor onze smartphones nodig hebben om op de hoogte gebracht te worden van het allerlaatste nieuws. Inclusief de winnaar van de Alpenrit. Of de toestand van minderbedeelden wereldwijd.

Een Australisch activist kon het wat mij betreft niet beter benoemen: ‘The big question is how to be a better ally.’ Hoe een betere bondgenoot te worden. En dit geldt voor ons allemaal: de links radicalen, anarchisten, kosmopolieten, wetenschappers, arbeiders, feministen, antiracisme-activisten, studenten, en noem maar op. Want hoe steun je een zaak, ook als het niet direct jouw eigen zaak is, op een juiste manier? Hoe breng je een geëngageerde massa samen die zich in wil zetten voor zaken die ver voorbij het eigen bord, de eigen agenda, de eigen cv, whatever gaan? Zijn de meesten van ons niet klaar met het lege individualisme? Kunnen wij niet in het samenkomen, in de actie, de zin en de schoonheid van het leven op deze planeet vinden? In plaats van in het door etterende consumentisme en verkapte hedonisme? 

‘De hel, dat zijn de anderen’ zei een existentialist ruim vijftig jaar terug. Zouden wij niet nu, aan het begin van een nieuwe tijd, met z’n allen ‘De toekomst, dat zijn de anderen’ moeten zeggen? Ik bedoel dan niet dat anderen de problemen voor ons op mogen lossen, maar dat ieder van ons de ander een toekomst gunt.

 

Met dank aan Jasper de Bruin en Egbert Born

Drawings: Marwa Mezher