Issue #012 Published: 21-05-2017 // Written by: jacqueline Schoemaker

Ode aan het gevaarlijke bosje

Ze hadden niets te maken met ‘groen in de stad’, al waren het vaak groengebiedjes. Ze hadden niets te maken met parken, buurtmoestuinen, sierplantsoenen. Het waren vage plekken, plekken die overgebleven waren nadat de planners en bouwers hun werk hadden gedaan, restruimtes die ontstonden omdat andere ruimtes werden afgebakend als woonwijk, sportveld of industriegebied. Onttrokken aan beleid, aan afbakening en toe-eigening en invulling, werden het plekken van overschot en uitschot, plekken waarvan men zei dat het er gevaarlijk was, dat je er ’s avonds niet alleen doorheen moest lopen.

Het waren plekken die altijd en voor iedereen toegankelijk waren, die in hun eigen kwetsbaarheid geen sluitingstijd kenden, geen economisch of educatief doel. Die geen mens, hoe desperaat ook, weerden. Van nature omarmend waren ze, bedekkend, de schaamte absorberend van iedereen die er, wanneer dan ook, met zijn ziel onder de arm toevlucht zocht. Je vond er condooms en tissues en sigarettenpeuken en lege bierblikken. Je vond er ook injectienaalden, en soms verregende matrassen, rollen wc papier en plastic zakken met stinkende kleren. Of restanten van hutten en vuurtjes. En altijd veel graffiti, als de plek ergens grensde aan een blinde muur. 

Het waren plekken waar men grenzen overging. Plekken die de adolescenten herbergden, de jongeren die er hun krachtmetingen aangingen, truth or dare, niet met hun ouders en leraren maar met elkaar, ‘wie durft er z’n hoofd te steken in het water van de vijver waar het bord ‘botulisme’ naast staat, wat krijg ik ervoor als ik het doe?’ Brommertjes, eerste sigaretten, eerste seks. Plekken waar kinderen zich konden verstoppen, kinderen die op hun beurt zich onttrokken aan het gezag van de oudere zus want de zus was niet de moeder om zich ervan te vergewissen dat het gevaar bestond, en dat dit was wat men altijd bedoelde met ‘avontuur’. Plekken waar mannen – heimelijk, zonder woorden – andere mannen betastten, en geen andere plek vonden om dat te kunnen doen.

Het waren plekken waar je niet mee hoefde te doen, waar je naartoe ging omdat je niet mee kon doen, waar je dat deed waarover thuis gezwegen werd. Plekken waar hokjes, klassen, functies, streefdoelen, in het niet vielen bij waar je nood aan had. En dat waar je nood aan had, in niets verschilde met dat waar de anderen nood aan hadden. Waar het verschil werd opgeheven, het verschil vervloog in de schaduw van het bladerdek dat, waar je ook mee bezig was, omhulde. Het waren plekken waar je, vroeg of laat, ooit een keer doorheen moest lopen. 

Nee, ze hadden niets te maken met ‘groen in de stad’. ‘Groen in de stad’ verdreef de vage plek met zijn ‘veiligheid’ en ‘transparantie’ en ‘passend beleid’. Met de komst van ‘groen in de stad’ werden de kinderen angstvallig binnen de tuinperken gehouden en verlegden de adolescenten hun buitenissigheden naar het internet, ’s avonds laat, na bedtijd, de rode ogen. De mannen deden hetzelfde. Truth or dare met tussen jezelf en het gewaagde het reflecterende computerscherm.

Wie durft opnieuw een plek in bezit te nemen, een plek van gevaar en afzondering en fysieke nabijheid, voorbij het computerscherm, voorbij de speeltuin van het opgekuiste park, wat krijg ik ervoor als ik het doe?