Issue #013 Published: 01-07-2017 // Written by: Jacqueline Schoemaker

‘Ter verdediging van serendipiteit’: een gesprek met Sebastian Olma

Onlangs presenteerde Sebastian Olma zijn boek In Defence of Serendipity. ‘Serendipiteit’, het is zo’n woord dat ik wel eens gehoord had, waar ik een vaag begrip van had maar waar ik niet precies mijn vinger op kon leggen. Sebastian splitst het begrip op in twee delen: accident (het toeval, het spontane, dat wat niet bedacht en gepland kan worden) en sagacity (de kennis, wijsheid en intuïtie die nodig zijn om op een vruchtbare manier in te spelen op het toeval). Het begrip serendipiteit wordt in het boek ook op een andere manier tweeledig gebruikt: enerzijds verwijst het naar een krachtige bron van innovatie en creativiteit maar anderzijds wordt beschreven hoe het, net als deze twee begrippen, misbruikt wordt door bedrijven en overheden in onze huidige samenleving om een vals beeld te creëren van vrijheid en vooruitgang terwijl stilstand, inperking en controle de eigenlijke norm zijn.

Zo handelt een hoofdstuk over de zogenaamde sharing economy eigenlijk over de hebzucht van het platform kapitalisme, verwijst de term passion naar arbeidsomstandigheden die vooral door verveling gekenmerkt worden en gaat autonomie met name over de benarde situatie van afhankelijkheid waarin steeds meer zzp’ers en andere leden van het precariaat zich bevinden. De retoriek die door overheden en bedrijven met een glimlach wordt gebezigd lijkt vers geplukt uit de Ministry of Truth van George Orwell’s 1984 (waar ambtenaren vooral bezig zijn leugens te formaliseren). Redenen te over om een gesprek aan te gaan met Sebastian Olma n.a.v. zijn publicatie. Een gesprek over mogelijkheidsruimte, over markt en autonomie, over community en openbaarheid.

Mogelijkheidsruimte
We are dealing with a state in which the future is violently drowned in the constant chatter about innovation.

S.O.: Om sagacity te stimuleren, zijn maatschappelijke voorwaarden nodig. Het is iets dat je leert, dat je ontwikkelt, en dat kan alleen als je de mogelijkheid krijgt om breed te kijken. Veel mensen zijn tegenwoordig bijvoorbeeld enthousiast over ‘creatieve ruimtes’ maar als je goed kijkt dan zie je dat er in zo’n ruimte mensen werken die er allemaal hetzelfde uitzien, die op een vergelijkbare manier denken en die allemaal met dezelfde projecten bezig zijn, in ruimtes die allemaal op elkaar lijken. 

J.S.: Wat zijn de maatschappelijke voorwaarden voor het ontwikkelen van sagacity? Zijn ze er ooit geweest?
S.O.: Het is niet een soort Eldorado dat we zijn verloren. Maar toch, in de vroege jaren ’70 was er heel veel culturele creativiteit aanwezig: mode, muziek, de interessantere panden in Amsterdam stammen allemaal uit die tijd, en daar teren we vandaag nog steeds op. Die cultuur kwam voort uit een mentaliteit waarin men niet zo veel waarde hechtte aan winst. Het mocht niet te veel te kosten, als het maar origineel en innovatief was. Er heerste een diepe economische crisis, de sociale structuur was veel relaxter dan vandaag. 

J.S.: We leven nu ook in een economische crisis, maar de sociale structuur pakt toch heel anders uit dan toen.
S.O.: Dat komt door de digitale revolutie, waardoor mensen steeds meer gestroomlijnd worden. Politieke, bestuurlijke instanties hebben nu veel meer grip op wat er gebeurt in een stad als Amsterdam dan in de jaren ’60 en ‘70. Tot 3 decennia geleden wisten de stadsbesturen niet precies wat er in de wijken gebeurde, wat er in de kunst gebeurde. Dat wilden ze ook niet weten, dat hoorde niet. Nu is alles verbonden via technologie en weet iedereen alles van elkaar. Bovendien zijn we nu ook almaar bezig met het ontwikkelen van ons eigen brand, met marketing, steden net zo goed als individuen (wat trouwens een waanzinnig idee is, dat steden met elkaar in competitie gaan!). Deze bezigheden leiden ons af van het ontwikkelen van een visie op de toekomst. Er is natuurlijk veel energie van (jonge) mensen aanwezig, maar die wordt strikt gekanaliseerd: je mag jezelf ontwikkelen via urban farming, 3d-printing en co-working, maar als je niet aan deze parameters voldoet, hoor je er niet bij en krijg je geen financiering en geen aanzien binnen het bestel. En binnen dit bestel gebeuren juist de minst creatieve dingen in de maatschappij. 

Markt en autonomie
Young professionals and freelancers are regularly fed the notion that not being paid properly for their labour makes them the avant-garde of a better economic system to come. 

S.O.: Zodra de staat zich terugtrekt, slaat de markt toe als normsteller. Bovendien laat onze maatschappij met het doorgeslagen marktdenken een enorm veld aan potentiële maatschappelijke activiteiten links liggen. Door de hele maatschappij te reduceren tot een markt, wordt sociale cohesie kapotgemaakt. Iedereen moet met elkaar in competitie, maar lang niet iedereen kan als een superheld steeds maar voor zichzelf vechten. Daarbij is die competitie, gezien de structuren (digitale keurslijven) waarin we ons bevinden, helemaal geen garantie voor innovatie.
 

Op het gebied van de creatieve industrie en sociale innovatie verandert er in onze tijd juist weinig tot niets. Opdrachtnemers (consultants en andere kleine freelancers) zijn gebonden aan de financiële middelen én de opvattingen van de opdrachtgever. Ze hebben geen gewicht, geen invloed, geen onafhankelijke positie van waaruit ze kritisch naar bestaande systemen kunnen kijken. 

Absolute artistieke autonomie, in de Romantische zin, bestaat natuurlijk niet. De functie van autonomie moet af en toe worden geherdefinieerd, hij verhoudt zich altijd tot zijn tijd. Misschien kunnen we autonomie echter wel definiëren ten opzichte van ondernemerschap. Creativiteit en ondernemerschap gaan vaak niet samen. Je moet je juist kunnen afzonderen van het ondernemen, de markt, de mode, om echt creatief te zijn. Ik noem autonomie liever ‘performatieve koppigheid’. Misschien is dat een betere term.

Community en openbaarheid
The problem is that the neoliberal hatred for the public sphere finds its unintended support network in the communities of activists and ‘change makers’ and their rejection of ‘traditional’ politics.

S.O.: Het gemeenschappelijke, de common, wordt vaak begrepen als iets dat zich net onder de maatschappelijke structuur bevindt, als een organische vorm van samenleven die we op dit moment niet hebben maar waar we in zekere zin naar terug verlangen. Kleine (leef)eenheden zouden uit elkaar zijn gevallen vanwege de groeiende complexiteit van de samenleving. Door middel van digitale technologie zou het mogelijk zijn om die magische commons weer te doen verschijnen. Het technologische denken is echter een soort wensdenken: er zal een omslagpunt komen, een revolutie. Maar zo zit de maatschappij niet in elkaar. Die is afhankelijk van grote beslissingen, en daar hebben we de politiek voor nodig. 

J.S.: Ik heb het idee dat het aansturen op de ‘participatiemaatschappij’ een soort zwaktebod is van de politiek.
S.O.: Ja, dat is een argument van de liberalen. Door elkaar te helpen, dingen in eigen beheer uit te voeren, krijgen we een mooiere samenleving volgens hen. Maar als we teruggeworpen worden op onszelf, dan zijn we niet meer beschermd tegen de kracht van de markt, die vervolgens overal instroomt.  
Wat ik probeer over te brengen is het belang van openbaarheid. Dat is abstracter dan de common, het gaat over een gevoel van rechtvaardigheid, over solidair zijn met anderen zonder een band met hen te hebben, via openbare instanties. We hebben abstracte solidariteit nodig (zoals bijvoorbeeld het ziekenfonds en degelijk onderwijs) want de problemen waar we mee te maken hebben zijn te groot om op te lossen binnen kleine gemeenschappen. Sommige problemen zijn zelfs zodanig groot dat we ze niet eens als natiestaat kunnen oplossen. Het magisch denken over gemeenschappen is gewoon te zwak. Communities zullen nooit de politieke kracht ontvouwen die nodig is om de maatschappij een andere kant op te sturen. 

Sebastian Olma
In Defence of Serendipity: For a Radical Politics of Innovation, Repeater, Londen, 2016.