Issue #012 Published: 25-05-2017 // Written by: Klaar vd Lippe

Geen baas hebben, geen baas zijn.... Dick Hageman Geb. Amsterdam, 1925 Straatmuzikant en pottenbakker

Hoe wordt je straatmuzikant in Amsterdam? 
Tja, hoe loopt het leven? Eigenlijk wilde ik chemiegraaf worden, net als mijn vader. Mooi beroep, je maakt met zuur etsen voor de drukkerij. Ik ging op voor leerling chemigraaf maar toen kwam de oorlog en stuurden mijn ouders me naar de schippersschool in de Sixhaven, van het Koninklijke Onderwijsfonds voor de Scheepvaart (KOFS). Dat was intern. Omdat ik het daar zo goed heb gedaan, met goed gevolg heette dat, mocht ik door naar de werf van scheepsbouwer Van Ommeren. Zij bouwden tankschepen. Maar door de oorlog was er weinig werk. Toen ben ik maar gaan varen op de de Rijn. Ik heb trouwens ook nog een tijdje ondergedoken gezeten in de Spiegelstraat. Na de oorlog ging ik varen op een sleepbootje. Lijkt leuk, maar ik vond er weinig aan. Geen vrijheid. 

Ik wilde geen baas. Het lag me niet en het was ook tegen onze politieke overtuiging. Geen baas hebben en geen baas zijn. Want ik zat bij de A.N.J.V. (Algemeen Nederlands Jeugd Verbond) Dat was een linkse, zeg maar communistische jeugd vereniging. Het was sterk anti-militaristisch. Het was direct na de oorlog waarin de communisten een grote rol in het verzet gespeeld hadden. Je kwam daar en er waren lezingen en discussies. Over hoe de nieuwe wereld moest worden. 

Die jeugdvereniging was niet alleen politiek. Er waren ook dansavonden en bijeenkomsten met andere verenigingen. Zo leerde ik ook mijn levenspartner Joke kennen. Zij kwam uit Groningen en was lid van de J.G.O.B. Jongelieden Geheel Onthouders Bond. Wij zijn ons hele leven bij elkaar gebleven. 

Maar hoe de kost te verdienen zonder baas? 
Via Joke leerde ik Chris Niemeyer kennen. Een vrije jongen, een straatmuzikant. Zoiets leek me wel wat. Hij wilde het wel met me proberen.
Gelukkig was ik opgegroeid in een muzikaal gezin. Mijn moeder en zusters zongen en wij speelden muziekinstrumenten. Dus ik kon het aardig bijhouden. 
De woningnood was in die tijd heel groot. Je kon bijna niets krijgen. Zeker niet als je, zoals Joke en ik, niet getrouwd waren. Samenhokken was niet fatsoenlijk. Dat was een taboe. Wat wel kon was woningruil. Chris had toen een huis in oost. Dat heeft hij toen geruild met een woning in Eerbeek, aan de rand van Amsterdam. 
Het huis in Eerbeek was groot genoeg voor ons vieren en er zat een stuk grond bij. Het plan was om daar groenten op te verbouwen. Zo konden we onafhankelijk zijn. Naar anarcho communistische principes: Onafhankelijk en zelfstandig! Wat we verder nog aan geld nodig hadden verdienden we als straatmuzikant. 
Chris speelde banjo en ik gitaar. We zongen allebei. Chris zong de tweede stem terwijl hij de melodie op de banjo speelde. Daar moet je behoorlijk muzikaal voor zijn! 
Straatmuzikant zijn was anders dan je nu ziet. Muziek was iets bijzonders. Geen langspeelplaten, geen muziekinstallaties. Het was eigenlijk overal stil. Muziek werd live gemaakt. Op straat had je draaiorgels of straatmuzikanten. Volendammers in kostuum die liederen zongen. Wij traden op in cafe’s en winkels. Je moet je voorstellen dat er niet veel te krijgen was. Je moest overal in de rij staan. Voor boodschappen, voor de bioscoop. Die mensen verveelden zich. Dus dan speelden wij 1 of twee liedjes en gingen met de pet rond. Op straat, maar ook in winkels. Dan kreeg je een paar centen. 

Chris zong op zich niet zo mooi, maar hij had een hele leuke kop en kon het geweldig brengen. Dat was onze charme. En natuurlijk wát we brachten. Ons repertoire waren namelijk de liedjes die op dat moment populair waren. Je hoorde die op de radio. Chris maakte daarvan een arrangement. We schreven de tekst op grote vellen en hingen die aan de muur. Gedurende de week oefenden we ons nieuwe materiaal. Op donderdag pakten we dan de trein naar Amsterdam. We hadden een hele route. Iedere week kwamen we langs met het nieuwe liedje.

Met al onze centen gingen we dan op zaterdagmiddag naar een koffiehuis aan de Amstel, genaamd ‘de vette hap”. Het zat aan de stadskant van de magere brug en werd gerund door de heer Bruckner met zijn Zwitserse vrouw. Daar kwamen allemaal kunstenaars. Schrijvers zoals Achterberg en Lucebert. Hij nam al die centen en wisselde ze voor guldens. De centen stonden in grote potten achter de toonbank. Met de buit gingen we dan met de trein terug naar Eerbeek. We hadden ze weer verdiend. en dat was nodig ook want de grond bleek veel te arm om te bebouwen. Nou ja, de gedachte was goed.

Ik was altijd op zoek naar mensen om mee te spelen. Via via hoorde ik van een violist: Ton Haantjes Dekker. Dat was een nette jongen van een behoorlijke familie. Geld uit Indië. Maar dat was na de oorlog natuurlijk afgelopen. Indonesië was geen kolonie meer maar had zich vrij gevochten. Dus moest hij geld verdienen. Haantjes Dekker woonde met zijn elegante vrouw, een Adema van Scheltema op een botter aan de Amstel. Niet een hele beste. Hij sliep met één arm uit bed. Dan werd hij wakker van het water te hoog kwam te staan. Moesten ze pompen. Met die mooie hoeden van zijn vrouw op een hoge plank. Anders waren ze bedorven. 

Haantjes Dekker was geen straatmuzikant, te klassiek geschoold. Kon alleen van het blad spelen. Maar dat schiet niet op: standaard neerzetten, muziek uitpakken, bladen omslaan. Nee, dat werkt niet. Hij had daar toen iets op bedacht: een bandrecorder... Moet je voorstellen die dingen waren toen verschrikkelijk duur. Dat was iets heel moderns. Daarop had hij dan muziek opgenomen en kon hij meespelen. In theorie werkt dat. Maar, stel je voor, je kwam met dat appaaraat, een flink ding, in het cafe. Moet je stroom hebben. Een tafeltje om het ding op te zetten. Er is herrie. Voor je goed en wel aan het spelen kon was je een kwartier verder. Nee, dat werkte net zo min. Je moet erin en eruit, in een cafe. Binnenkomen, liedje, liedje, liedje, vangen en weg. Tenminste, zo heb ik er altijd mijn brood mee verdient. 

Na twee jaar kwam er een einde aan de Eerbeekse periode. We besloten te gaan reizen en kochten bij een sloperij Diemen in een onderstel van een wagen. Daar bouwden we een opbouw op.  Je kon toen aan de Osdorperweg op een woonwagenkamp staan. Dat wist bijna niemand. Het was perfect. In het midden stond een pomp voor water. Je kookte op een vuurtje of in de wagen. Toen vrienden van ons, Co en Tinie Stubbe uit de Jordaan zagen hoe we erbij zaten kwamen ze er ook bij staan. Hij was een goede tekenaar en schilder maar speelde ook gitaar. Zij zijn toen met ons naar Frankrijk gegaan. 

Die reis was prachtig. We zetten onze wagens op de trein,  zo een een lage wagen. Ze werden vastgesjord en wij gingen binnen zitten. Stel je voor: Achter de stoomlocomotief trok het landschap aan je voorbij. Op onze zoon Dick heeft die reis zoveel indruk gemaakt dat de woonwagen voor hem heel lang het ideaal is gebleven.

Met de wagens zijn we door Frankrijk getrokken en uiteindelijk net over de Belgische grens in Zeeuws Vlaanderen neergestreken. De eerste jaren woonden we nog in de wagen. Later in een boerderij. Heel simpel hoor. Het was een komen en gaan van vrienden muzikanten en kunstenaars. Ik ben altijd blijven spelen. Daarnaast ben ik een pottenbakkerij begonnen. Ik had bij mijn vriend in Amsterdam gezien dat dat aardig wat kon opbrengen. Ik ging op de brommer naar Antwerpen om in een nachtclub te spelen en stond op de markt met de pottenbakkerij. 

Zo heb ik altijd onafhankelijk kunnen blijven. Ik heb geen baas gehad en was geen baas. Het belangrijkste om dat vol te houden is eenvoudig te leven. Hou je vaste lasten laag. Dan ben je vrij. Dat heb ik ook mijn zoons altijd voorgehouden. Ze hebben dat in zekere zin ook overgenomen, dat vrije. Mijn ene zoon woont in Griekenland en is pottenbakker, mijn andere zoon in Portugal en verkoopt sieraden.  Onafhankelijk, allebei.

Ik maak nog steeds muziek, met mijn eigen band: de Dick Hageman band. We oefenen regelmatig en treden op als we gevraagd worden. Dat gebeurd. Ik wil de mensen niets opdringen. Maar ze hebben er blijkbaar toch aardigheid in. Mijn repertoire is het Nederlandse lied. Niet plat. Slauerhof, volksliedjes. Straatmuziek.

Over het leven van Dick en Joke is net een boek verschenen: Ik heb Kermis gevierd, door Angeline Graste.
Voor wie iets wil horen van Dick Hageman: CD, Ik heb kermis gevierd (2015).